Naar hoofdinhoud

Artikel 4.2.c

Handel in drugs vanuit een horeca-inrichting met exploitatievergunning

Onderdeel van Nuloptiebeleid t.a.v. coffeeshops

Indien geconstateerd wordt dat binnen de gemeente een "coffeeshop" ge­ëxploiteerd wordt door een horecabedrijf dat reeds in het bezit is van een exploitatievergunning, zal op basis van dit nuloptie-beleid zowel be­stuursrechtelijk als strafrechtelijk worden opgetreden: Bestuursrechtelijk Indien is geconstateerd dat vanuit een horeca-inrichting drugs worden verhandeld, dient de burgemeester een afweging te maken of hij zal overgaan tot tijdelijke sluiting van de inrichting op grond van artikel 2.3.1.5. van de APV (het minder zware middel) dan wel zal overgaan tot het intrekken van de exploitatievergunning. Aangezien de handel in (soft)drugs één van de weigeringsgronden is voor een exploitatievergunning ex artikel 2.3.1.2. van de APV (zie onder 4.2.a), vormt dit motief tevens een intrekkingsgrond ten aanzien van reeds verleen­de exploitatievergunningen. Bij de bovengenoemde afweging spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol (niet iedere overtreding rechtvaardigt het relatief zware middel van intrekking van de vergunning. Soms kan met tijdelijke sluiting worden volstaan. Hoe lang gesloten wordt is afhankelijk van de periode die nodig is om de loop van de kopers van drugs naar de desbetreffende inrichting te doorbreken). Als de burgemeester de exploitatievergunning heeft ingetrokken kan hij, indien dit nodig is, gebruik maken van zijn bevoegdheden op grond van artikel 125 van de Gemeentewet zoals hierboven beschreven onder 4.2.b. Strafrechtelijk Op basis van dit nul beleid acht het Openbaar Ministerie het "gedo­gen" op basis van de AHOJ-G- criteria niet van toepassing en zal op grond van de Opiumwet worden overgegaan tot vervolging van strafbare feiten. Tevens wordt strafrechtelijk opgetreden op grond van de APV vanwege het overtreden van de betreffende APV-bepaling.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel