Naast de in 4.1 aangegeven algemene uitgangspunten en het feit dat in de verordening het primaat van verhuizing is weggelegd, volgen hieronder nog een aantal aandachtspunten indien tot de conclusie wordt gekomen dat verhuizing de goedkoopst adequate oplossing is voor het woonprobleem van de ondersteuningsbehoevende.
De verhuizing mag pas plaatsvinden nadat hiertoe door B en W toestemming is verleend (art. )
De ondersteuningsbehoevende verhuist vanuit en naar een woonruimte die geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden (art. 4.2 onder k VMO)
De ondersteuningsbehoevende gaat niet voor het eerst zelfstandig wonen (art. 4.2 onder j VMO).
De ondersteuningsbehoevende verhuist niet naar een AWBZ-inrichting (art. 4.2 onder l VMO)
In de te verlaten woonruimte worden beperkingenondervonden, tenzij het een verhuizing naar een ADL-woning betreft
De verhuizing zou ook zonder handicap op grond van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie, als algemeen gebruikelijk worden beschouwd (art. 4.2 onder b VMO). Hierbij valt te denken aan situaties dat iemand verhuist naar een aanleunwoning of een (service)flat en dat als een logische stap kan worden beschouwd in zijn levensfase.
Een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding kan gecombineerd worden met andere woonvoorzieningen zoals een woningaanpassing of een woonvoorziening van niet bouwkundige en woontechnische aard.
De uitbetaling vindt pas plaats als de ondersteuningsbehoevende een schriftelijk bewijs kan overleggen dat hij/zij het nieuwe huurcontract heeft getekend en/of is ingeschreven in het bevolkingsregister op zijn/haar nieuwe adres.
De maximale financiële tegemoetkoming voor verhuis-en inrichtingskosten is vastgelegd in het besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente (Bergeijk, Bladel, Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden).
Hoofdstuk 4
Artikel 4.2
Verhuizing en inrichting
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning