Nadat wij via een beschikking hebben vastgesteld dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging waarbij met spoed moet worden gesaneerd, is de saneerder verplicht binnen vier jaar met de sanering te beginnen. Dit houdt in dat de aanvrager/saneerder het saneringsplan uiterlijk binnen drie jaar na het verlenen van de beschikking bij de gemeente moet indienen.
Bij gevallen met onaanvaardbare humane risico’s geldt dat de saneerder tijdelijke beveiligings-maatregelen moet treffen en wel direct na het vaststellen van onaanvaardbare risico’s. Daarnaast geldt, dat de saneerder zo snel mogelijk met saneren moet beginnen. Afhankelijk van de aanwezige situatie en de aard van de tijdelijke beveiligingsmaatregelen gaan we uit van een termijn die ligt tussen één en vier jaar. In bijzondere situaties kan hiervan worden afgeweken.
Dit is echter afhankelijk van de aard van de tijdelijke beveiligingsmaatregelen én de concreetheid van de voorgenomen ontwikkelingen.
Als er sprake is van saneren met spoed vanwege het (eventueel binnen enkele jaren) bereiken van een kwetsbaar object, kunnen wij eveneens eisen dat de saneerder eerder dan binnen vier jaar met de sanering moet beginnen. Dit geldt ook voor bijzondere situaties, waarbij tijdelijke beveiligings-maatregelen geen of onvoldoende soelaas bieden.
Indien geen sprake is van spoed, en wij dus geen tijdstip van saneren verplicht stellen, nemen wij in de beschikking wel een termijn van vier jaar op in verband met de houdbaarheid van het saneringsplan.
Wij stemmen dan in met het saneringsplan met dien verstande dat de instemming vervalt indien niet binnen vier jaar na afgeven van de beschikking met de sanering begonnen is. Het is mogelijk om verlenging van deze termijn aan te vragen. Daarmee zullen wij bij ongewijzigde omstandigheden in principe instemmen.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.4
Beschikking ernst en spoed; tijdstip van saneren
Onderdeel van Beleidsregels bodem