Wanneer bij een bedrijf bodembedreigende activiteiten (gaan) plaatsvinden, moet de inrichtinghouder een nulsituatie onderzoek laten uitvoeren. Hierbij dient de onderzoeksopzet te voldoen aan het gestelde in de NEN 5740. Indien bij dit onderzoek een verontreiniging wordt aangetoond, dan moet een aanvullend onderzoek plaatsvinden. Dit aanvullend onderzoek moet de aangetroffen verontreiniging dan dusdanig afperken, dat er een goed referentiekader ontstaat om eventuele verdere verontreinigingen als gevolg van de bedrijfsactiviteiten op afdoende wijze te kunnen vaststellen.
Daarnaast kan de vergunninghouder er voor kiezen om voor het vastleggen van de nulsituatie gebruik te maken van bestaande verkennende onderzoeken, welke bijv. in het kader van het bouwrijp maken of de uitgifte van grond / transacties zijn gepleegd. Deze onderzoeken moeten representatief zijn en een bepaalde mate van actualiteit bezitten. Van locaties welke onderzocht zijn en vervolgens opgehoogd, dienen ook de gegevens van het ophoogzand te worden overgelegd.
Onderzoeken waarbij geen noemenswaardige verontreiniging of een verontreiniging met immobiele stoffen is aangetoond en afgeperkt mogen niet dateren van voor 1993.Wel dient bij onderzoeken ouder dan 2 jaar van de tussenliggende periode een historisch onderzoek (met o.a. een beschrijving van de bedrijfsvoering en eventuele calamiteiten) te worden opgesteld.
Onderzoeken waar sprake is van een afgeperkte mobiele verontreiniging mogen niet ouder zijn dan 2 jaar. In een aantal gevallen is het echter noodzakelijk om een tussensituatieonderzoek te verrichten. De noodzaak en frequentie voor dit onderzoek is afhankelijk van de locatietypering en de stofmobiliteit. Binnen onze gemeente, waar veelal sprake is van opgespoten / opgehoogde terreinen geldt voor mobiele stoffen (retardatiefactor < 100) een frequentie van 10 jaar. Voor locaties binnengrondwaterbeschermingsgebieden geldt op grond van de PMV een tweemaal hogere frequentie, dus één keer per 5 jaar. Voor deze situaties mag t.b.v. het vastleggen van de nulsituatie, het bestaande onderzoek niet ouder zijn dan respectievelijk 10 en 5 jaar.
Bij de voornoemde onderzoeken dienen tevens de gangbare onderzoekspakketten te zijn gebruikt. In het geval bij de bedrijfsvoering stoffen kunnen vrijkomen die niet bij het eerder uitgevoerde onderzoek zijn meegenomen en op basis van de gebruikshistorie van de locatie ter plaatse niet te verwachten zijn, hoeft er geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. De inrichtinghouder dient echter hierbij wel aan te geven dat voor deze stoffen de achtergrond- , streef- of detectiegrenswaarden worden gehanteerd.
8
Artikel 8.3
Vastleggen van de Nulsituatie (eisen voor onderzoek)
Onderdeel van Beleidsregels bodem