Lid 1
Bij indiensttreding kent de werkgever de medewerker het salaris toe, dat in de op zijn functie betrekking hebbende functieschaal is vermeld bij periodiek 0.
Lid 2
Ingeval daartoe naar het oordeel van de werkgever aanleiding bestaat kan van het bepaalde in het vorige lid worden afgeweken door het toekennen van een hoger salaris, niet zijnde hoger dan het maximumsalaris van de betreffende salarisschaal. Argumenten hiervoor zijn gelegen in:
het hebben van aantoonbare relevante werkervaring;
de aansluiting van het aangetoonde salaris van de vorige dienstbetrekking ten opzichte van de huidige dienstbetrekking.
Lid 3
Een medewerker wordt bij indiensttreding in principe aangesteld in de voor de betreffende functie geldende functieschaal.
Lid 4
Als de medewerker bij indiensttreding naar verwachting de functie nog niet volledig vervult of nog niet voldoet aan de eisen die aan de functie worden gesteld, dan kan de medewerker een aanstelling in een lagere salarisschaal krijgen. Als vervolgens uit een evaluatie van het functioneren blijkt dat de medewerker de functie volledig vervult of aan de functie-eisen voldoet, dan wordt de medewerker bevorderd naar de functieschaal behorende bij de functie die de medewerker uitoefent. Bij bevordering naar de functieschaal zijn de bepalingen uit artikel 10 van deze regeling van toepassing.