Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3:

Artikel 10

Horen

Onderdeel van Verordening klachtenbehandeling 2014 RUD Zuid-Limburg

1.. De klager en degene op wiens gedrag de klacht betrekking heeft worden door de klachtbehandelaar in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. 2.. De bijeenkomst als bedoeld in het eerste lid vindt plaats binnen vier weken na de datum van het in behandeling nemen van de klacht waarbij wordt voldaan aan artikel 3, tenzij een andere termijn wordt overeengekomen. 3.. Zowel klager als degene op wiens gedrag de klacht betrekking heeft kan getuigen oproepen of meebrengen, dan wel zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Dit moet 3 werkdagen voorafgaand aan de hoorzitting schriftelijk worden aangekondigd door de klager dan wel degene op wiens gedrag de klacht betrekking heeft, aan de klachtbehandelaar. Eventuele kosten van getuigen en gemachtigden worden gedragen door de partij die deze aankondigt. 4.. Van het horen van de klager kan worden afgezien indien: de klacht kennelijk ongegrond is, de klager heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, of de klager niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij geen gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. 5.. Van het horen wordt een verslag gemaakt door de klachtbehandelaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel