**1..** Na afkondiging van organisatiefase 1 geeft het diensthoofd toepassing aan paragraaf 7 ter bevordering van de mobiliteit van een medewerker in een functiegroep als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onder a.
**2..** Op een daartoe strekkend verzoek van een medewerker als bedoeld in het eerste lid wijst het diensthoofd een adviseur aan die de medewerker begeleidt.
1e lid: dit artikel regelt de beschikbaarheid van flankerend beleid in organisatiefase 1. Hiermee wordt beoogd mobiliteit van medewerkers te stimuleren in functiegroepen waarin zich personele knelpunten gaan voordoen vanwege boventalligheid of opheffing van functies (bedreigde functiegroepen). Medewerkers in niet-bedreigde functiegroepen komen hiervoor niet in aanmerking.
Reguliere aanspraken bij mobiliteit, zoals vervat in de ARG en andere gemeentelijke regelingen, zijn vanzelfsprekend geldend en worden hier niet herhaald. Het betreft bijvoorbeeld de garantie op behoud van de salarisschaal en salaris (art. 2:6 van de Beloningsregeling) en de wijze van afbouw van toelagen bij overgang naar een functie zonder toelagen (Afbouwregeling).
2e lid: dit regelt de mogelijkheid van individuele begeleiding van medewerkers in bedreigde functiegroepen. De begeleiding is gericht op het stimuleren van ontwikkeling en mobiliteit. Niet iedere medewerker zal begeleiding door of namens de werkgever in deze fase wensen en begeleiding is vanwege het vrijwillige karakter van mobiliteit in deze fase ook niet verplicht. Daarom is de toewijzing optioneel. De term adviseur moet breed worden gezien. Het kan bijvoorbeeld een decentrale of centrale loopbaanadviseur zijn, een P&O-functionaris of de leidinggevende van de medewerker. De adviseur dient over de benodigde competenties te beschikken.
Paragraaf 3
Artikel 3.2
Vrijwillige mobiliteit tijdens organisatiefase 1
Onderdeel van Sociaal beleidskader Den Haag 2011 (m.i.v. 1 januari 2014) en wijzigingsbesluit SBK per 1 januari 2014