Naar hoofdinhoud
1.. Gedurende de re-integratiefase spannen de re-integratiekandidaat en het diensthoofd waaronder de re-integratiekandidaat ressorteert, zich in om onvrijwillige werkloosheid van de re-integratiekandidaat te voorkomen, met toepassing van hoofdstuk 10d van de ARG. 2.. De inspanningen, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op plaatsing in een functie waarvoor de re-integratiekandidaat geschikt is of aanvaarding van een functie buiten de gemeente. 3.. Als zich binnen de gemeente een mogelijkheid voordoet tot plaatsing van de re-integratiekandidaat in een functie waarvoor deze geschikt is, wordt de re-integratiekandidaat in de functie geplaatst, onverminderd artikel 10.1. 4.. Als er meerdere geschikte re-integratiekandidaten zijn in de situatie, bedoeld in het derde lid, kan het diensthoofd de naar zijn oordeel meest geschikte kandidaat plaatsen. 5.. Onder aanvaarding van een functie binnen de gemeente als bedoeld in artikel 10d:13 [gewijzigd m.i.v. 1 januari 2014; zie de toelichting in het toegevoegde wijzigngsbesluit] van de ARG wordt verstaan de plaatsing, bedoeld in het tweede lid van dit artikel. 6.. Het diensthoofd draagt zorg voor voldoende begeleiding van de re-integratiekandidaat die met toepassing van dit artikel is geplaatst in een functie binnen de gemeente. Dit artikel behelst de inspanningsplicht om onvrijwillige werkloosheid zoveel mogelijk te voorkomen. De inspanningsplicht ligt zowel bij de werkgever als de medewerker. Er is geen sprake van een ongeclausuleerde resultaatverplichting; het is immers mogelijk dat zich geen mogelijkheden voordoen om de medewerker in een functie te plaatsen waarvoor deze geschikt is. Het is aan het diensthoofd om dit in een eventuele procedure aan te tonen aan de hand van een dossier dat onder meer het re-integratieplan bevat. De verantwoordelijkheid voor re-integratie ligt aan werkgeverszijde bij het diensthoofd van de gereorganiseerde dienst. In geval van dienstoverstijgende reorganisaties dient te worden vastgesteld welk diensthoofd het betreft. Deze paragraaf herhaalt geen onderwerpen die al in hoofdstuk 10d van de ARG zijn geregeld, waaronder: de aanvang van de re-integratiefase; het uitreiken van een ontslagbesluit; de reguliere duur van de re-integratiefase: maximaal 7 maanden bij een dienstverband van 2 tot 10 jaar, maximaal 11 maanden bij een dienstverband van 10 tot 15 jaar, maximaal 15 maanden bij een dienstverband van 15 jaar of meer; het voortijdig eindigen van de re-integratiefase bij wijze van sanctie (als de ambtenaar zich niet houdt aan het re-integratieplan), waarbij de aanspraak op de ontslaguitkering vervalt; het verlengen van de re-integratiefase (als de gemeente zich niet houdt aan de afspraken in het re-integratieplan); de mogelijkheid van opname van (levensloop)verlof gedurende de re-integratiefase; de inhoud van het re-integratieplan en de hoogte van de daarmee samenhangende kosten; de bovenwettelijke aanvullende resp. aansluitende werkloosheidsuitkering, met de mogelijkheid van afkoop. Wel bevat artikel 6.5 enkele aanvullingen c.q. afwijkingen in het belang van de betrokken ambtenaren. 2e lid: hier wordt de term “plaatsing” gebruikt in plaats van “aanbieden” of “aanvaarden”. Dit is in lijn met art. 15:1:10 van de ARG (overplaatsing). Immers, plaatsing is niet afhankelijk van aanvaarding door de ambtenaar, zeker niet tegen de achtergrond van dreigend onvrijwillig ontslag. Dit is in het 5e lid geëxpliciteerd. Hiermee houdt verband dat de re-integratiekandidaat plaatsing in een vacante functie waarvoor hij geschikt wordt geacht, niet mag weigeren. Zoals ook in het voorgaande sociaal beleidskader was geregeld, mag de re-integratiekandidaat plaatsing in een functie waarvoor hij geschikt is niet weigeren op de enkele grond dat deze een schaal lager is gewaardeerd dan de eigen schaal, of het functiebestanddeel leidinggeven mist, of bij een andere dienst moet worden vervuld dan waarbij hij werkzaam was of op een andere locatie moet worden verricht. Het weigeren en andere vormen van onvoldoende meewerken zijn gesanctioneerd in hoofdstuk 10d van de ARG. Het lid verduidelijkt verder dat re-integratie zich zowel kan richten op interne plaatsing als op het onderzoeken van externe mogelijkheden (of op beide). Daartoe behoort ook het eventueel detacheren van de re-integratiekandidaat. Dat kan zowel tijdelijke interne detachering omvatten, bijvoorbeeld om te onderzoeken of vaste overplaatsing tot de mogelijkheden behoort, als detachering in de vorm van een payrollconstructie. 3e lid: als zich de mogelijkheid voordoet van plaatsing in een functie waarvoor een re-integratiekandidaat geschikt is, dan wordt deze kandidaat in die functie geplaatst met inachtneming van het gemeentelijke beleid met betrekking tot de volgorde bij vacaturevervulling. Dat beleid geeft invulling aan de verantwoordelijkheid jegens re-integratiekandidaten en medewerkers in bedreigde functiegroepen (binnen de eigen dienst van het diensthoofd respectievelijk gemeentebreed), zie paragraaf 10. 4e lid: in het geval dat zich een vacante functie voordoet waarvoor meerdere re-integratiekandidaten geschikt zijn, kan het diensthoofd de meest geschikte kandidaat selecteren. Het betreft de gang van zaken zoals in een reguliere sollicitatieprocedure. De Adviescommissie reorganisatie (paragraaf 9) kan, op verzoek van de betrokken medewerker of van een diensthoofd, adviseren over de geschiktheid van de medewerker voor een bepaalde functie. Dit kan zich voordoen als een diensthoofd en een medewerker het niet eens worden over een eventuele plaatsing. Als tussen twee diensthoofden verschil van inzicht bestaat over de plaatsing van een medewerker, dan wordt dit voorgelegd aan de Toetsingscommissie vacatures (paragraaf 9). 6e lid: dit lid benadrukt de noodzaak van voldoende begeleiding van re-integratiekandidaten die een andere functie gaan vervullen, in het kader van goed personeelsbeleid. Gedacht kan worden aan een inwerkplan en aan periodieke voortgangsgesprekken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel