Naar hoofdinhoud

Artikel 18

Artikel 18

Onderdeel van Ambtsinstructie Leerplicht en RMC West-Brabant, 2014

De meldcode bestaat uit 5 stappen. De medewerker leerplicht/RMC volgt deze stappen. Stap 1: In kaart brengen van signalen. De medewerker leerplicht/RMC brengt signalen van een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling in kaart en leg deze zo feitelijk mogelijk vast in het leerlingdossier. Tevens legt de medewerker leerplicht/RMC ook de contacten over deze signalen vast, evenals de concrete stappen die worden gezet en de besluiten die worden genomen. Hypothesen, oordelen en veronderstellingen worden vastgelegd, waarbij uitdrukkelijk wordt opgenomen dat het gaat om een hypothese, oordeel of veronderstelling. De medewerker leerplicht/RMC maakt een vervolgaantekening als een hypothese of veronderstelling later wordt bevestigd of ontkracht. De medewerker leerplicht en RMC vermeldt de bron als er informatie van derden wordt vastgelegd. Diagnoses worden alleen vastgelegd als ze zijn gesteld door een bevoegde beroepskracht. Indien uit een vertrouwelijk gesprek met een leerling blijkt dat er mogelijk sprake is van huiselijk geweld of kindermishandeling dan meldt de medewerker leerplicht/RMC aan de leerling dat hij of zij conform de meldcode zal handelen Betreffen de signalen huiselijk geweld of kindermishandeling gepleegd door een beroepskracht, dan meldt de medewerker leerplicht en RMC de signalen bij de leidinggevende of de directie. In dat geval zijn de verdere stappen niet van toepassing. Stap 2: Collegiale consultatie en zo nodig raadplegen van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling of het Steunpunt Huiselijk Geweld. De medewerker leerplicht/RMC bespreekt de signalen met een deskundige collega bij voorkeur een medewerker leerplicht/RMC lokaal of regionaal. De medewerker leerplicht/RMC vraagt zo nodig ook advies aan het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling of aan het Steunpunt Huiselijk Geweld. De behandelend medewerker leerplicht/RMC legt de uitkomst van de bespreking vast in het leerlingdossier. Stap 3: Gesprek met de ouders/verzorgers en (bij leerling ouder dan 12 jaar) ook met de leerling. De medewerker leerplicht/RMC nodigt de leerling en ouders/verzorgers uit om de zorgen te bespreken. Dit gesprek wordt zo nodig door twee medewerkers gevoerd. In het gesprek komen de volgende onderwerpen aan de orde: het doel van het gesprek, de feiten die de medewerker leerplicht/RMC heeft vastgesteld en de waarnemingen die zijn gedaan. Aan de leerling en ouders/verzorgers wordt gevraagd hierop te reageren.De medewerker leerplicht/RMC komt pas na deze reactie zo nodig en zo mogelijk met een interpretatie van hetgeen de medewerker leerplicht/RMC heeft gezien, gehoord en waargenomen. De medewerker leerplicht/RMC vertelt de ouders wat de vervolgacties (kunnen) zijn. De medewerker leerplicht/RMC legt op zorgvuldige wijze de bevindingen van het gesprek vast in het leerlingdossier. Stap 4: Weeg de aard en de ernst van het huiselijk geweld of de kindermishandeling. De medewerker leerplicht/RMC weegt op basis van de signalen, van het ingewonnen advies in stap 2 en van het gesprek in stap 3 met de leerling en ouders/verzorgers, en na consultatie van een deskundige collega bij voorkeur een medewerker leerplicht/RMC lokaal of regionaal het risico op huiselijk geweld of kindermishandeling. De medewerker leerplicht/RMC weegt de aard en de ernst van het huiselijk geweld of de kindermishandeling. Bij twijfel over de risico’s, de aard en de ernst van het geweld en bij twijfel over de vervolgstap moet altijd (opnieuw) advies gevraagd worden bij het AMK of SHG. De medewerker leerplicht/RMC legt zijn afwegingen, acties en besluiten met tijdspad zo concreet en feitelijk mogelijk vast in het leerlingdossier. Stap 5: Beslissen: zelf hulp organiseren of melden. Na de weging van stap 4 komt de medewerker leerplicht/RMC tot een besluit: hulp organiseren of een melding doen. Waar het bij deze afweging om gaat, is dat de beroepskracht beoordeelt of hijzelf, gelet op zijn competenties, zijn verantwoordelijkheden en zijn professionele grenzen, in voldoende mate effectieve hulp kan bieden of kan organiseren. In alle gevallen waarin hij meent dat dit niet of maar gedeeltelijk het geval is, doet hij een melding. Wanneer de hulp georganiseerd wordt door de medewerker volgt hij de effecten van deze hulp en doet alsnog een melding als het geweld niet blijkt te stoppen of opnieuw oplaait. Alvorens dat de medewerker leerplicht/RMC een melding doet bespreekt hij deze melding met de leerling (ouder dan 12 jaar) en ouders/verzorgers. In dit gesprek geeft de medewerker leerplicht/RMC aan waarom hij van plan is de melding te doen, vraagt de leerling en ouders/verzorgers om een reactie, hoort de eventuele bezwaren op de melding aan en probeert hieraan tegemoet te komen door deze op te nemen in de melding en maakt vervolgens de afweging over de noodzaak en de aard en ernst van het geweld en de noodzaak om de leerling of ouders/verzorgers te beschermen, dus te handelen uit zorg. De medewerker leerplicht/RMC legt het gesprek vast in het leerlingdossier. De medewerker Leerplicht/RMC geeft bij de melding aan op grond van welke feiten en gebeurtenissen hij of zij hiertoe besloten heeft. Tevens meldt de medewerker leerplicht/RMC concreet of er informatie van anderen afkomstig is. De medewerker leerplicht/RMC legt de melding zo concreet en feitelijk mogelijk vast in het leerlingdossier. N.B. Van contacten met de cliënt over de melding kan worden afgezien als: de veiligheid van de cliënt, die van uzelf of die van een andere in het geding is of; u goede redenen hebt om te veronderstellen dat de cliënt daardoor het contact met u zal verbreken. Jaarverslag leerplicht en effectrapportage RMC (artikel 25 Leerplichtwet; artikel 118h, zevende lid, WVO, artikel 162b, zevende lid, WEC, artikel 8.3.2, zevende lid, WEB).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel