1.. Het college draagt uitkeringsgerechtigden op om naar vermogen onbeloonde maatschappelijk

nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, te verrichten als tegenprestatie. De op te

leggen tegenprestatie moet aan vier eisen voldoen:

a) naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;

b) niet zijn bedoeld als re-integratie instrument;

c) worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze

worden verricht; en

d) niet leiden tot verdringing.

2.. Het college zet de tegenprestatie motiverend in, waarbij tegemoet wordt gekomen aan het

individueel en collectief belang.