Het college legt een maatregel op in de hierna volgende
gevallen:
als een belanghebbende tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het
bestaan, dan wel
als belanghebbende de verplichtingen die voortvloeien
uit de wet, de IOAW/IOAZ, en de Wet
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet Suwi) - met
uitzondering van de inlichtingenplicht o.g.v. artikel 17
eerste lid van de wet, artikel 13 eerste lid IOAW/IOAZ
en artikel 30c tweede en derde lid Wet Suwi -, dan
wel
de verplichtingen die in de beschikking tot toekenning,
wijziging of voortzetting van de bijstand of uitkering
zijn opgenomen niet, of onvoldoende nakomt, en
wanneer een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt
tegenover personen en instanties die zijn belast met de
uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel
9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en
instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW
als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die
wet of tegenover personen en instanties die zijn belast
met de uitvoering van de IOAZ als bedoeld in artikel 37,
eerste lid, onder g, van die wet.
Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten
en de omstandigheden waarin hij verkeert.
De maatregel wordt toegepast op de bijstand, dan wel de
uitkeringsnorm.
In het besluit tot opleggen van een maatregel wordt in ieder
geval vermeld:
de reden van de maatregel,
de duur van de maatregel,
het bedrag of het percentage waarmee de bijstand of de
uitkeringsnorm wordt verlaagd en, indien van
toepassing,
de reden om af te wijken van een
standaardmaatregel.
Hoofdstuk
Artikel 2
Opleggen van een maatregel
Onderdeel van Verordening maatregelen Participatiewet, IOAW en IOAZ