Onverminderd artikel 2, tweede lid, van deze verordening wordt
de maatregel vastgesteld op:
a.€ 75,00 bij een gedraging uit de eerste categorie;
b.€ 150,00 bij een gedraging uit de tweede categorie;
c.€ 300,00 bij een gedraging uit de derde categorie;
In afwijking van het eerste lid, onder c, legt het college,
indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de
IOAW en de belemmerende gedragingen, bedoeld in artikel 7,
vierde lid, van deze verordening dusdanige vormen aannemen dat
gesproken moet worden van het door eigen toedoen niet verkrijgen
van algemeen geaccepteerde arbeid of van het weigeren van hem
aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, voor
onbepaalde duur een maatregel op ter hoogte van het door eigen
toedoen niet verkregen netto inkomen uit deze arbeid.
Het college legt indien belanghebbende een uitkering ontvangt op
grond van de IOAW/IOAZ, met in achtneming van artikel 20, vierde
lid IOAW/IOAZ, voor onbepaalde duur een maatregel op indien de
belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband
met arbeid is verloren en:
aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een
dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel
678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel
de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van
de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan
zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden
gevergd.
De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door dit gedrag verloren
netto inkomen.
Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede
en derde lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten
hoogste drie maanden bedraagt.
Het college kan jaarlijks de bedragen zoals genoemd in het
eerste lid a tot en met c, aanpassen door middel van indexering.
De bedragen na indexering worden afgerond op een veelvoud van €
5,00.
HOOFDSTUK II
Artikel 9
Hoogte van de maatregel
Onderdeel van Verordening maatregelen Participatiewet, IOAW en IOAZ