In artikel 2.3.2 van de wet is bepaald dat het college, na een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, binnen 6 weken onderzoek doet. Tevens is bepaald hoe dat onderzoek dient te worden uitgevoerd.
Om duidelijk te krijgen wat de vraag precies inhoudt, zal nader onderzoek moeten worden verricht. Wat zijn de eigen mogelijkheden, de behoeften en de voorkeuren van een cliënt? Wat gaat er goed en wat lukt er niet meer? Welk resultaat wil de cliënt bereiken? Soms blijkt na een kort onderzoek dat informatie en advies voldoende is om het ondervonden probleem op te lossen. Verder onderzoek kan dan achterwege blijven.
In het onderzoek wordt nagegaan welke beperkingen er zijn in de zelfredzaamheid en de participatie en op welke wijze deze kunnen worden verminderd. Als de beperkingen door de deskundige van de gemeente niet voldoende kunnen worden geobjectiveerd kan het college een door hem daartoe aangewezen instantie om advies vragen.
Gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag moeten aan het college worden verschaft. Hierbij kan worden gedacht aan medische gegevens, maar ook aan financiële gegevens. Medische gegevens mogen uitsluitend worden opgevraagd met toestemming van de cliënt.
In het onderzoek wordt tevens nagegaan of de cliënt geholpen wordt door een mantelzorger, in welke mate deze wordt belast en op welke wijze deze eventueel kan worden ondersteund.
De cliënt wordt erop gewezen dat hij recht heeft op onafhankelijke cliëntondersteuning. Ook wordt hij geïnformeerd over de mogelijkheid om binnen 7 dagen een persoonlijk plan in te dienen waarin hij de onderwerpen die tijdens het onderzoek aan de orde komen beschrijft, en waarin hij aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Tevens vraagt de medewerker de cliënt om een geldig identiteitsbewijs en verzoekt hij om toestemming voor de verwerking van persoonsgegevens waarover de gemeente uit andere hoofde beschikt.
Bij de advisering wordt de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF classificatie, gebruikt (zie Bijlage). De ICF is een classificatie van het menselijk functioneren. De classificatie is systematisch geordend in gezondheidsdomeinen en met de gezondheid verband houdende domeinen. Op elk niveau zijn de domeinen verder gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke kenmerken, en in een zinvolle ordening geplaatst. Van de ICF zijn met name de lijsten met “functies” en “activiteiten en participatie” van belang. Problemen met functies kunnen leiden tot stoornissen bij activiteiten en participatie. Het is op dit niveau dat wordt onderzocht welke ondersteuning zal moeten worden geboden.
Uiteraard hoeft niet bij elke melding een uitgebreid onderzoek plaats te vinden, bijvoorbeeld in spoedsituaties of als de situatie van een cliënt al voldoende bij de gemeente bekend is.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.3
Onderzoek
Onderdeel van Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning Heemstede 2015