Rekening houden met elke wijziging in inkomen of vermogen tijdens de draagkrachtperiode betekent dat de bijstandsverlening beter aansluit bij de werkelijke draagkracht van belanghebbende. Het leidt echter ook tot grote administratieve lasten. Het is dan ook efficiënter een eenmaal vastgestelde draagkracht binnen de vastgestelde draagkrachtperiode niet meer te wijzigen. Het feit dat een belanghebbende door vergroting van de draagkracht mogelijk (iets) te veel bijstand ontvangt wordt acceptabel geacht. In verband met armoedebestrijding is het echter niet acceptabel als een belanghebbende door daling van zijn draagkracht feitelijk te weinig bijstand ontvangt. In dat geval kan de belanghebbende op grond van artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht (awb) altijd om herziening van de vastgestelde draagkracht verzoeken. Bij het besluit tot vaststelling van de draagkracht en de draagkrachtperiode dient dit aan de belanghebbende te worden meegedeeld.
Het tweede lid van dit artikel betekent feitelijk dat de draagkracht van een tweede of volgende aanvraag binnen een draagkrachtjaar altijd moet worden getoetst en dat bij wijziging ervan steeds individueel beoordeeld moet worden of de draagkracht zodanig is gestegen of gedaald dat aanpassing van de draagkracht binnen het draagkrachtjaar noodzakelijk is. Dit kan uiteraard zowel een verlaging als een verhoging van de draagkracht betekenen.
Hoofdstuk
Artikel 6
Artikel 6
Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet en Wet Schuldhulpverlening