Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Aanvraag individuele voorziening

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp 2015 Gemeente Opmeer

Deze bepaling en vooral ook artikel 8 zijn een uitwerking van de verplichting in artikel 2.9 onder a. van de wet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening in ieder geval regels stelt ‘met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening’. Toekenning van een individuele voorziening kan alleen op basis van een aanvraag. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daar niet van af. Wel bevat artikel 7 een aantal aanvullende bepalingen. De wet gaat uit van drie verwijzers: huisarts, medisch specialist en de jeugdarts van de GGD die verbonden is aan het wijkteam. In de regel vervoegen een jeugdige of zijn of haar ouders zich voor een hulpvraag niet direct bij het wijkteam maar pas na verwijzing van professionals die werkzaam zijn op de vindplaatsen (consultatiebureau, kinderopvang, peuterspeelzaal, basisschool, jeugd- en jongerenwerk, politie etc.). Bij een aanvraag voor een voorziening neemt het wijkteam contact op met de jeugdige of zijn ouders en volgt in de regel een gesprek waarna verwijzing naar een overige voorziening en/of de aanvraag voor een individuele voorziening kan plaatsvinden. De aanvraag moet schriftelijk worden vastgelegd. Lid 4 regelt dat een ondertekend verslag en eventueel een ondertekend ondersteuningsplan, als complete aanvraag voor een individuele voorziening wordt beschouwd. Zo wordt voorkomen dat alsnog een aanvraagformulier moet worden ingevuld. Het bepaalde in lid 5 borgt de rechtsgang van betrokkene indien de jeugdige of zijn ouders er niet mee instemmend dat zij worden verwezen naar een overige voorziening, omdat zij recht menen te hebben op een individuele voorziening. In die gevallen kunnen zij ervoor kiezen het gespreksverslag of het ondersteuningsplan voor niet akkoord te ondertekenen. Lid 5 regelt dan dat dit door de gemeente wordt verwerkt als een aanvraag, waarop dan een beschikking/weigering zal volgen waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Slechts indien de cliënt expliciet heeft aangegeven de aanvraag stop te willen zetten, is deze aanmerking als aanvraag niet van toepassing en volgt beschikking. Als beslistermijn wordt de redelijke termijn conform artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht aangehouden, welk op grond van artikel 4:14 Awb verlengd kan worden. Hier is geen aparte bepaling voor opgenomen. Artikel 4:13 stelt: Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel