Naar hoofdinhoud
Voor een bijdrage op grond van deze verordening komen ingezetenen van de gemeente Dinkelland in aanmerking, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: het netto inkomen van de aanvrager c.q. de leefeenheid bedraagt niet meer dan 110% van de op de aanvrager c.q. leefeenheid van toepassing zijnde bijstandsnorm op grond van de wet, verhoogd of verlaagd met de op de aanvrager c.q. de leefeenheid van toepassing zijnde verhogingen respectievelijk verlagingen overeenkomstig het bepaalde in de Toeslagenverordening WWB gemeente Dinkelland 2004; de betalingscapaciteit van de aanvrager c.q. de leefeenheid is ontoereikend om, binnen een verantwoorde besteding van het (gezins)inkomen, zelf te voorzien in de kosten waarvoor een bijdrage wordt gevraagd; de inkomensontwikkeling en/of betalingscapaciteit van de aanvrager c.q. de leefeenheid ondergaan binnen een tijdsbestek van zes maanden na de datum van indiening van de aanvraag naar verwachting geen aanmerkelijke verbetering van 25% of meer; uit de bij de aanvraag overgelegde bescheiden en bewijsstukken als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f blijkt deelname aan tenminste één culturele, sportieve en/of educatieve activiteit door de aanvrager zelf en/of van één of meer tot de leefeenheid van de aanvrager behorende personen, alsmede dat de desbetreffende kosten daartoe zijn gemaakt; het bij de aanvrager c.q. de leefeenheid aanwezig vermogen, vastgesteld overeenkomstig het be-paalde in Hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 van de wet, mag niet meer bedragen dan de op moment van aanvraag op de aanvrager c.q. de leefeenheid toepasselijke vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, lid 3 van de wet; voor de kosten waarvoor een bijdrage op grond van deze verordening wordt verzocht, kan geen aanspraak worden gedaan op een voorliggende voorziening, hierbij inbegrepen de wet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel