Hoe hoger het risico, hoe hoger de relevantie om risico’s te delen op financieel vlak en op het beschikbaar hebben van zorg. Voor de zorgproducten met een hoog risicoprofiel, is het daarom verantwoord te kiezen voor risicodeling. Voor de andere zorgproducten heeft risicodeling minder of geen toegevoegde waarde. Als we dit vertalen naar de modellen, dan kunnen we de volgende verbinding maken:
waarborgmodel en vlaktaxmodel zijn passend voor zorgproducten met een hoog risicoprofiel;
verrekeningsmodel is passend voor zorgproducten met een laag risicoprofiel.
Risicodeling hoeft niet alleen tussen gemeenten plaats te vinden. Gemeenten kunnen ervoor kiezen risico’s ook te delen met of over te dragen aan zorgaanbieders en/of de branche. Zo kunnen afspraken worden gemaakt, dat zorgaanbieders samen bijdragen aan het oplossen van wachtlijsten door onderlinge uitwisseling van plekken. Ook kan de inkoop van plekken plaatsvinden met een bandbreedte, waarbinnen schommeling in het zorggebruik kunnen worden opgevangen.
Beslispunt 3:
Voor zorgproducten met een hoog risicoprofiel kiezen voor:
- het delen van financiële risico’s én beschikbare capaciteit tussen de 10 Rivierenlandse gemeenten.
- aanvullend afspraken maken met de betreffende zorgaanbieders over een bandbreedte in de in te kopen plekken en over onderlinge uitwisseling van plekken tussen zorgaanbieders.
Voor de overige zorgproducten kiezen voor:
- het verrekeningsmodel op basis van het woonplaatsbeginsel, zonder risicodeling
De gemeenten in regio Rivierenland kiezen hiermee alleen risico’s te delen op de zorgproducten die onvoorspelbaar zijn, duur zijn en een lage of sterk fluctuerende frequentie hebben: de residentiële zorg, spoedeisende crisiszorg, jeugdzorg plus en crisisdienst. Voor deze zorgproducten moet een nadere keuze worden gemaakt tussen het waarborg- of vlaktaxmodel. Om deze keuze te kunnen maken, is van belang in hoeverre de modellen voldoen aan de criteria: haalbaar, helder, simpel en begrijpelijk. Ook de voor- en nadelen van de twee modellen moeten tegen elkaar worden afgewogen.
Het is noodzakelijk dat de basisinformatie en data voor het berekenen van de kosten voor alle deelnemers eenduidig, beschikbaar en navolgbaar zijn. Er moeten vooraf heldere afspraken zijn over de verantwoording. De kostenverdeling die daaruit volgt, moet voor iedereen logisch zijn. De transities moeten gereed zijn op 1 januari 2015. Wat we besluiten, moet vanuit dit gegeven haalbaar zijn. Onder haalbaarheid verstaan we in deze nota:
de voorwaarden om het besluit op een kwalitatief goede manier uit te voeren, in termen van beschikbaarheid van kennis, ervaring, gegevens, e.d.;
de energie die in de uitvoering moet worden gestoken, in termen van tijd, geld en mankracht.
Als we de twee modellen vergelijken op de criteria haalbaar, helder, simpel en begrijpelijk dan scoort het waarborgmodel beter dan het vlaktaxmodel.
Het vlaktaxmodel kent een hogere complexiteit, die meer van de randvoorwaarden vraagt. Voor dit model is goede inzage in het gemiddelde historisch, huidige en toekomstige zorggebruik én risicofactoren per gemeente nodig. De gemeenten hebben nu nog onvoldoende zicht hierop.
Het waarborgmodel is eenvoudiger. De bijdrage die elke gemeente levert, is immers niet gekoppeld aan het feitelijke gebruik. Gemeenten leveren een bijdrage naar inwoneraantal. Indien gewenst volgens een gewogen bijdrage, bijvoorbeeld naar rato van het aantal jeugdigen in de gemeente.
Door de complexiteit brengt het vlaktaxmodel veelal hogere administratieve kosten met zich mee. Het registratie-, monitorsysteem en de berekeningssystematiek zijn bij het waarborgmodel simpeler en daardoor minder kostbaar.
Ook op het criterium ‘begrijpelijk’ scoort het waarborgmodel beter dan het vlaktaxmodel. Hoe eenvoudiger het model, hoe meer kans dat de kostenverdeling voor iedere deelnemer te begrijpen en te volgen is.
Gelet op het bovenstaande zal de energie (tijd, geld en mankracht) die in de voorbereiding gestoken moet worden, hoger zijn bij het vlaktaxmodel.
Groot voordeel van het vlaktaxmodel ten opzichte van het waarborgmodel is echter de ingebouwde prikkel om het zorggebruik in toom te houden. De bijdrage aan de regionale pot is bij het vlaktaxmodel immers gekoppeld aan het feitelijke gebruik (gemiddeld historisch gebruik). In het waarborgmodel is deze koppeling er niet. Op de korte termijn weegt dit verschil echter nog niet zwaar. Dit komt door de keuze om alleen risico’s te delen op de zorgproducten die onvoorspelbaar zijn, duur zijn en een laag volume kennen: de residentiële zorg, spoedeisende crisiszorg en jeugdzorg plus. Er ligt relatief minder causaal verband tussen enerzijds het gebruik van deze zorgproducten en anderzijds de lokale inzet op preventie en lokale kwaliteit van de toegang. Het gebruik van deze zorgproducten ligt vaker buiten de invloedsferen van de gemeente of zorgaanbieder. Het kan elke gemeente overkomen, ongeacht hoe sterk het lokale veld is georganiseerd. Daar waar preventie wel invloed heeft op het zorggebruik van de betreffende producten, zijn de effecten pas op de langere termijn merkbaar. Ook de kwaliteit van de lokale toegang speelt voor de betreffende producten een relatief kleinere rol. Zo kan een kinderrechter bijvoorbeeld bepalen tot gedwongen opname van een kind in een zorginstelling (Jeugdzorg plus).
Gelet op het voorgaande wordt een onderscheid gemaakt in de korte en langere termijn. Voor de jaren 2015/2016 is het voorstel uit te gaan van het waarborgmodel op basis van een nader te bepalen verdeelsleutel (aantal inwoners al dan niet gewogen). Dit model scoort namelijk hoger op de uitgangspunten: haalbaar, helder, simpel en begrijpelijk. Voor de periode vanaf 2017 vindt een heroverweging plaats op basis van een evaluatie. Een overstap naar het vlaktaxmodel wordt in de heroverweging expliciet meegenomen. Het vlaktaxmodel heeft namelijk het voordeel van de ingebouwde prikkel om het zorggebruik in toom te houden. Lokale inzet op preventie en kwaliteit van de lokale toegang zullen pas op termijn effect hebben.
Beslispunt 4:
Voor de zorgproducten met een hoog risicoprofiel (onvoorspelbaar, hoge kosten en een lage en/of sterk fluctuerende vraag) kiezen voor het volgende model van risicodeling:
- voor de jaren 2015/2016 kiezen voor het waarborgmodel op basis van een nader te bepalen verdeelsleutel (aantal inwoners al dan niet gewogen).
- voor de periode vanaf 2017 de keuze heroverwegen op basis van evaluatie. In de heroverweging een mogelijke overstap naar het vlaktaxmodel expliciet betrekken.
Artikel 4
Koppeling risicoprofiel en modellen
Onderdeel van Nota Solidariteit transities Wmo en Jeugd: risicodeling tussen gemeenten in de regio Rivierenland