De fractie reserveert het binnen een begrotingsjaar niet gebruikte deel van de vergoeding ter besteding door die fractie in het volgende begrotingsjaar.
De reserve is niet groter dan 100 % van de vergoeding die de fractie in het voorgaande kalenderjaar op grond van artikel 2 toekwam.
De reserve blijft na verkiezingen beschikbaar voor de fractie, die onder dezelfde naam terugkeert, dan wel voor de fractie die naar het oordeel van de raad als rechtsopvolger daarvan kan worden beschouwd.
Als bij zetelverlies de fractie ophoudt te bestaan en naar het oordeel van de raad geen rechtsopvolger kan worden aangewezen, vervalt de reserve aan de raad.
Als bij zetelverlies de reserve van een fractie hoger wordt dan 100% van de vergoeding waarop de fractie na verkiezing aanspraak kan maken, vervalt het meerdere.