In de wet staat dat het college een persoonsgebonden budget kan weigeren (artikel 2.3.6 lid 5):
voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening of;
indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d en e.
Als er een ernstig vermoeden is dat de budgetbeheerder problemen zal hebben met het omgaan met een pgb zal overwogen worden of een pgb wel de juiste leveringsvorm is voor de maatwerkvoorziening. De situaties waarbij het risico groot is dat het pgb niet besteed wordt aan het daarvoor bestemde doel:
de budgetbeheerder handelingsonbekwaam is;
de budgetbeheerder niet over voldoende organisatie - en regelvermogen en verantwoordelijkheidsbesef beschikt;
de budgetbeheerder heeft als gevolg van dementie, een verstandelijke handicap of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de eigen situatie;
er sprake is van verslavingsproblematiek bij de budgetbeheerder;
er sprake is van schuldenproblematiek bij de budgetbeheerder;
er eerder misbruik gemaakt is van het pgb door de budgetbeheerder;
eerder sprake is geweest van fraude door de budgetbeheerder.
Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een pgb niet gewenst is. Deze situaties vereisen altijd een individuele afweging. In deze situaties kan een pgb worden geweigerd. Om een pgb af te wijzen op contra-indicaties, moet er feitelijke onderbouwing zijn waarop het afwijzingsbesluit is gebaseerd. De onderbouwing wordt in de beschikking vermeld (Verordening Wmo art.11).
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.2.1
Contra-indicaties tegen het verstrekken van een pgb
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Westland 2015