1. Handel in drugs wordt in het geheel niet gedoogd, ook niet in zogeheten coffeeshops die zich houden aan de door het College van procureurs-generaal opgestelde (BI)AHOJG-criteria (zie hoofdstuk 5). 2. Er wordt bestuursrechtelijk handhavend opgetreden indien in een woning of lokaal handel in drugs plaatsvindt of heeft plaatsgevonden. 3. Het bestuursrechtelijk handhavend optreden bestaat in de regel uit de last aan de eigenaar en/of gebruikers van een woning en/of het lokaal om de woning en/of het lokaal waar handel in drugs heeft plaatsgevonden binnen een bepaalde termijn te sluiten en voor een bepaalde periode gesloten te houden, bij gebreke waarvan bestuursdwang wordt toegepast. 4. Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven (bijvoorbeeld gelet op de omvang of de frequentie van de overtredingen en/of de veroorzaakte/terug te dringen overlast) kan er voor worden gekozen spoedeisende bestuursdwang toe te passen en derhalve geen termijn voor de tenuitvoerlegging van de sluiting te stellen.
Definitie drugshandel In deze beleidsregels wordt onder drugshandel verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking dan wel het daartoe aanwezig zijn van soft- en/of harddrugs. Hennepteelt, hennep drogen of hoe dan ook houden of voorhanden hebben van hennepplanten, welke niet enkel is gericht op eigen gebruik, wordt eveneens als handel beschouwd. Om te beoordelen of een hoeveelheid drugs erop wijst dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, wordt aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria ten aanzien van de hoeveelheden (1). Dit betekent dat een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram, een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram en een hoeveelheid van maximaal 5 hennepplanten in beginsel als hoeveelheden voor eigen gebruik worden aangemerkt. Grotere hoeveelheden wijzen er op dat de drugs bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking. Ook wanneer geen hoeveelheid drugs wordt aangetroffen kan uit andere feiten en omstandigheden blijken dat er sprake is van drugshandel op grond waarvan tot sluiting kan worden overgegaan.
Last onder bestuursdwang Op grond van artikel 5:32 Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. De wet laat aan het bestuursorgaan dus een discretionaire bevoegdheid om te kiezen voor een van beide alternatieven. Ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet is volgens de burgemeester de meest aangewezen maatregel steeds de (tijdelijke) sluiting van een woning of lokaal middels het opleggen van een last onder bestuursdwang. Gelet op het belang dat geschonden wordt door de overtreding van de Opiumwet mag volgens de burgemeester niet het risico worden genomen dat de overtreding ondanks een last onder dwangsom wordt voortgezet of herhaald en dient te worden voorkomen dat door betrokkenen een financiële belangenafweging wordt gemaakt. Als beleidsuitgangspunt wordt dus gekozen voor het opleggen van een last onder bestuursdwang en niet voor het opleggen van een last onder dwangsom. Dit betekent concreet dat woningen en/of lokalen die niet vrijwillig worden gesloten en gedurende de periode van de sluiting gesloten worden gehouden, worden dichtgetimmerd en/of verzegeld en dat de kosten daarvan op de overtreders worden verhaald.
(1) Aanwijzing Opiumwet, Stcrt. 2011, nr. 22936.
Artikel 3
Uitgangspunten optreden
Onderdeel van Beleidsregels artikel 13 b Opiumwet (Damoclesbeleid)