Voordat de uitkering wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de
gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Hiervan
kan afgezien worden als: a. de belanghebbende zijn zienswijze al
eerder kenbaar heeft gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten
of omstandigheden; of b. binnen de gestelde termijn niet is voldaan
aan de inlichtingenplicht; of c. het horen niet nodig is voor het
vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
verwijtbaarheid.