Onverminderd het bepaalde in artikel 4:35 Algemene wet bestuursrecht kan het college de garantie weigeren voor zover naar haar oordeel:
er geen sprake is van continuïteit in het voortbestaan van de instelling gedurende de looptijd van de garantie;
redelijkerwijs kan worden verwacht dat de doelstellingen die met de garantie worden nagestreefd, niet zullen worden bereikt;
het risico voor de gemeente niet acceptabel is;
er geen sprake is van ‘goed bestuur’ van de aanvrager;
de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden en criteria voor garantieverlening die bij of krachtens deze verordening zijn vastgesteld;
de liquiditeitspositie van de aanvrager niet toereikend is om de rente en aflossing van de geldlening gedurende de looptijd van de garantie te voldoen;
garantie wordt aangevraagd omdat de kosten van garantstelling door de gemeente lager zijn dan de kosten van een garantstelling door andere instellingen;
de garantstelling anderszins niet past in het gemeentelijk beleid;
als woningbouwcorporaties niet voldoen aan de in artikel 1 lid 9 genoemde ratio’s en evenmin sprake is van voldoende zicht op herstel ervan in de eerste vijf jaren na de investering.