Deze verordening treedt in werking op de dag volgend op de openbare bekendmaking.
Bij inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Parkeerverordening 1992, vastgesteld op 16 december 1991.
Vergunningen welke zijn verleend krachtens de Parkeerverordening 1992 worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van [datum] De voorzitter, De secretaris,
TOELICHTING
Artikelsgewijze toelichting op de wijzigingen
Aanhef In de aanhef wordt de zinsnede 'gelet op artikel 168 van de gemeentewet en artikel 6 van de Wegenverkeerswet' vervangen door: gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994. Hiermee wordt de verwijzing geactualiseerd naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Gemeentewet (1992) en de Wegenverkeerswet 1994 (1994). Artikel 1 Van het oude artikel A vervalt het onderdeel a en worden de onderdelen b tot en met j in het nieuwe artikel 1 herschikt tot de onderdelen a tot en met j. waarbij:
Onder b de zinsnede 'in het RVV 1966 of' vervalt. Tevens wordt het voertuig brommobielen toegevoegd omdat zij conform art. 2a RVV 1990 voor wat betreft de (parkeer) richtlijnen de regels volgen van motorvoertuigen.
Onder d de zinsnede 'Wegenverkeerswet (Stb. 1935, 554)' vervalt en vervangen door: Wegenverkeerswet 1994 (Stb. 1994, 475).
Onder e toegevoegd is het begrip gehandicaptenparkeerplaats ter verduidelijking van art. 8 lid 5.
Onder h, sub 1 de zinsnede vervalt 'met bord 99a uit bijlage II van het RVV 1966 dan wel' en onder sub 2 de zinsnede vervalt 'met bord 99aa uit bijlage II van het RVV 1966, dan wel' . De verwijzingen in deze artikelleden moeten worden geactualiseerd in verband met de wijziging van het RVV in 1990 en de Wegenverkeerswet in 1994.
Onder j wordt na de zinsnede 'de natuurlijke' het woord persoon ingevoegd. Artikel 2 Vergunningen voor het parkeren op parkeerapparatuur- en belanghebbendenplaatsen worden uitgegeven op basis van de Parkeerverordening. Het aanwijzen van de plaatsen waar met een dergelijke vergunning geparkeerd kan worden dient daarom volgens deze verordening te gebeuren. Los daarvan staat het heffen van rechten voor het uitgeven van de vergunning. Dit gebeurt op basis van de Verordening Parkeerbelastingen. Uit praktische overwegingen blijft daarom de aanwijzingsbevoegdheid bij burgemeester en wethouders.
Het tweede lid wordt na de zinsnede 'het parkeren' het woord 'alleen' ingevoegd. Artikel 3 Het oude artikel C wordt vervangen door de volgende tekst:
1 Burgemeester en wethouders kunnen op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen.
Een vergunning kan in ieder geval worden verleend aan:
een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie I);
een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren (categorie II);
degene die woont in een gebied waar het bij besluit van burgemeester en wethouders is toegestaan aan degene die hem bezoekt onder gebruikmaking van de vergunning en geldig in de straten binnen dat gebied (bezoekerspasje), om een motorvoertuig te parkeren op parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen (categorie lll).
Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.
Door in de parkeerverordening de mogelijkheid te bieden naar categorieën van vergunningen te verwijzen en deze door een onderbord ook bij de parkeerplaats zelf te vermelden, is het de betrokken vergunninghouders ook bekend waar zij kunnen parkeren.
In het eerste lid wordt duidelijk gemaakt dat vergunningen kunnen worden afgegeven aan bewoners voor het parkeren op parkeerplaatsen voor belanghebbenden of met parkeerapparatuur. In het tweede lid worden die categorieën omschreven die een bedrijf of hun beroep in de aangewezen gebieden uitoefenen.
In tegenstelling met het oude artikel C is in artikel 3 geen bepaling meer opgenomen over de behandeling van een vergunningaanvraag door een aanvrager die in aanmerking komt voor zowel een vergunning als bedoelt in lid 1 en lid 2. Deze bepaling vervalt omdat ze geen beleidsmatige maar financiële strekking heeft. Bewoners en bedrijven kunnen op de hoogte komen van de verschillen in tarieven door goede voorlichting aan vergunningaanvragers en/of het bestuderen van de tarieven tabel. Het is vervolgens aan hen te besluiten wat voor vergunning zij willen aanvragen. Aanwijzing van weggedeelten voor vergunningparkeren voor een vergunning als bedoelt in lid 1 en 2 is alleen mogelijk in gebieden waar parkeerdruk is.
Op grond van het nieuwe derde lid kunnen met het oog op een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte aan de vergunning zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is. Vergunningen kunnen ook worden verleend voor bepaalde zones, om te voorkomen dat vergunninghouders ergens anders in de gemeente gratis kunnen parkeren. Aanwijzing van 1 parkeerplaats als gebied voor gefiscaliseerd betaald parkeren is niet mogelijk.
Het vierde lid (oud) kan vervallen omdat uit het tweede lid al blijkt dat de opsomming van categorieën (rechts)personen die in aanmerking komen voor een vergunning niet limitatief is. Het vijfde lid (oud) kan vervallen omdat de bevoegdheid om beperkingen aan de vergunning te verbinden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen en de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is voortvloeit uit de in het huidige derde lid vermelde bevoegdheid voorschriften en beperkingen te stellen die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Het bepaalde in het zesde lid (oud) is opgenomen in het nieuwe derde lid. Artikel 4 De beginselen van behoorlijk bestuur eisen dat binnen een redelijke termijn een beslissing wordt genomen op een aanvraag voor een vergunning. Om op dit punt voor de aanvrager duidelijkheid te verschaffen, zijn de termijnen in de verordening zelf opgenomen. Uit oogpunt van serviceverlening is de periode waarbinnen de beslissing op aanvraag wordt genomen alsook de eventuele verlenging van de beslistermijn gesteld op de redelijke termijn 4 weken. Deze was in het oude artikel D gesteld op twee maanden. In artikel D (oud) vervallen het eerste en vierde lid. Het tweede en derde lid worden herschikt tot eerste en tweede lid. Het eerste en vierde lid van artikel D (oud) kunnen vervallen in verband met de inwerkingtreding van de Algemene wet bestuursrecht, die ten aanzien van deze onderwerpen in een regeling voorziet.