Als draagkracht wordt in aanmerking genomen: het netto inkomen over een periode van 12 maanden, verlaagd met de volgende middelen en aftrekposten:
Individuele studietoeslag;
Individuele inkomenstoeslag, voor zover het niet gaat om een aanvraag bijzondere bijstand voor de aanschaf en/of vervanging van duurzame gebruiksgoederen bedoeld in artikel 51 Participatiewet;
Het deel van een particuliere oudedagsvoorziening, zoals bedoeld in artikel 33 lid 5 Participatiewet;
Het deel dat niet tot de middelen wordt gerekend, zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 Participatiewet;
De verhoging van het kindgebondenbudget voor de alleenstaande ouder (ALO-kop);
Buitengewone kosten in verband met wonen, als door het hogere inkomen geen volledige huurtoeslag wordt ontvangen;
Buitengewone kosten in verband met zorg, als door het hogere inkomen geen volledige zorgtoeslag wordt ontvangen;
Alle voorkomende wettelijke eigen bijdragen, waarvoor het recht op een voorliggende voorziening ontbreekt (bijvoorbeeld eigen bijdrage Wet Kinderopvang, eigen bijdrage WMO, eigen bijdrage AWBZ/Zvw/Wlz);
Het (deel) van het inkomen waarop executoriaal beslag is gelegd, en waarover de belanghebbende dus redelijkerwijs niet kan beschikken, tenzij sprake is van ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
Indien een belanghebbende in de wettelijke schuldsaneringsregeling zit (WSNP), de middelen die binnen de boedel vallen. In de praktijk komt dit over het algemeen neer op een beschikbaar inkomen van 90% van de bijstandsnorm.
Ad 5.
Met de invoering van de Participatiewet en de Wet hervorming Kindregelingen komt de alleenstaande ouder niet meer in aanmerking voor een hogere bijstandsnorm ten opzichte van de alleenstaande, maar wel voor de ALO-kop van de Belastingdienst. Het stukje bijstand wat de alleenstaande ouder kwijtraakt per 1 januari 2015, wordt grotendeels gecompenseerd door de Belastingdienst. Het feitelijke inkomen van de alleenstaande ouder blijft dus nagenoeg gelijk aan de situatie voor 1 januari 2015. Ten opzichte van de bijstandsnorm die geldt voor de alleenstaande ouder, bestaat er echter direct draagkracht. Draagkracht die volgt uit de wetswijziging (normwijziging), maar niet op zich zelf staat. De feitelijke inkomenssituatie is immers nauwelijks gewijzigd.
Vanaf 1 januari 2015 bedraagt het ‘extraatje’ aan ALO-kop ten opzichte van het voormalige Kindgebondenbudget maximaal € 3.050,00 op jaarbasis. Dit komt neer op een bedrag van € 254,17 per maand, wat nagenoeg overeenkomt met de 20% extra norm die alleenstaanden tot 1 januari 2015 vanuit de bijstand ontvingen.
De door de normwijziging ontstane draagkracht die volgt uit de wet is is een ongewenst effect en het college heeft dan ook besloten om bij de beoordeling van de draagkrachtberekening bij een alleenstaande ouder, de ALO-kop buiten beschouwing te laten.
Hoofdstuk
Artikel 11:
Niet in aanmerking te nemen middelen bij vaststelling draagkracht
Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz; Bijzondere bijstand Ridderkerk 2015