4.1.Het derde lid van artikel 30 van de wet luidt: "In de verordening worden uitsluitend verhogingen en verlagingen vastgesteld als bedoeld in de artikelen 25 tot en met 29.
4.2.Het opnemen van deze kortingsmogelijkheid is gebaseerd op artikel 27 van de wet: "Burgemeester en wethouders kunnen de bijstandsnorm of de toeslag, bedoeld in artikel 25 lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden."
Er is voor gekozen de toeslag in voorkomende gevallen met 20% te verlagen, ofwel te reduceren tot "nul".
Dat betekent ook, dat op de uitkering van gehuwden (immers geen toeslag) geen verlaging wordt toegepast in verband met het ontbreken van woonkosten. De gehuwden ontvangen immers elk al de 50-procentsnorm, die als minimum wordt aangemerkt.
Bepalingen omtrent dak- en thuislozen zijn in de huidige verordening niet meer opgenomen. De betreffende doelgroep dient zich voor kosten van levensonderhoud te vervoegen bij de centrumgemeente (i.c. Doetinchem).
Gebaseerd op desbetreffende jurisprudentie is onder b. de situatie benoemd waarin een niet-inwonende derde (bv. de ex-echtgenoot van een bijstand ontvangende) de woonkosten voor zijn rekening neemt. In verband met de feitelijke kostenbesparing dient de bijstand op grond van artikel 13, eerste en tweede lid van de wet te worden afgestemd. Daarbij ligt het in de rede een verlaging van de toeslag toe te passen omdat voor de belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden aan de bewoonde woning.
4.3 Bij het ontbreken van woonlasten wordt er van uitgegaan dat dit inkomsten in natura betreft die op grond van artikel 33 lid 1 op de bijstandsnorm in mindering worden gebracht.
4.4. De afwijkende schoolverlateruitkering is gebaseerd op artikel 28 van de wet: " Het College kan voor de belanghebbende die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding,de norm of toeslag, bedoeld in artikel 25, gedurende 6 maanden na het tijdstip van die beëindiging lager vaststellen, indien voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. De lagere uitkering geeft een extra stimulans om de kans op werk met beide handen aan te grijpen. Nu kan worden gesteld, dat de WSF een ruime bijverdienmogelijkheid heeft en studenten bovendien op een aantal zaken reductie krijgen en dat zij daardoor in staat zijn om van het budget voor levensonderhoud in de studiefinanciering rond te komen. Anderzijds ligt dat budget voor levensonderhoud nog ruim onder 50% van het netto minimumloon en is ervoor gekozen om de periode, waarin deze lage norm zal gelden, te beperken tot een half jaar (zie de begripsomschrijvingen artikel 1 lid 10). Van de mogelijkheid tot verlenging wordt geen gebruik gemaakt.
4.5 Dit lid is gebaseerd op artikel 29 lid 1 van de wet: "Burgemeester en wethouders kunnen voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar de toeslag bedoeld in artikel 25 afwijkend vaststellen voor zover zij van oordeel zijn dat, gezien de hoogte van het minimum jeugdloon, de hoogte van een toeslag een belemmering kan vormen voor de aanvaarding van arbeid.
Echte alleenstaanden van 21- en 22-jaar houden respectievelijk 5% en 10% toeslag over. Kunnen zij de kosten delen, dan houdt de 21-jarige 0% en de 22-jarige 5% over.
Let op: in dit artikel wordt verwezen naar artikel 3.2 (de toeslag is 20%) en artikel 3.3,(de toeslag is 10%). De toeslag van respectievelijk 20 en 10% wordt vervolgens verlaagd met genoemde percentages.
4.6. In artikel 30 lid 2 onder b van de wet is de anticumulatiebepaling opgenomen, inhoudende dat jegens een belanghebbende niet gelijktijdig gebruik gemaakt mag worden van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 28, eerste lid (verlaging voor schoolverlaters, wordt als eerste toegepast) en 29, eerste lid (verlaging 21- en 22-jarigen, wordt pas toegepast als de termijn van een half jaar overschreden wordt).
N.B.: Er is voor gekozen om geen gebruik te maken van de verlagingmogelijkheid, die wordt aangereikt in artikel 26 van de wet: "Burgemeester en wethouders kunnen voor een echtpaar de bijstandsnorm verlagen voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander." Het idee hierachter is, dat de beide partners, op grond van het optimaal kunnen delen van de kosten, immers elk al de 50-procentsnorm ontvangen. Als uitgangspunt voor de tekst van deze verordening is genomen dat die 50% als minimum wordt aangemerkt. Overigens is het wel mogelijk dat een echtpaar inkomsten genereert, door een deel van de woning op commerciële basis te verhuren. Deze inkomsten worden dan op grond van artikel 33 lid 4 van de wet op de uitkering in mindering gebracht. Zoals al eerder opgemerkt is hier van belang het inkomen waarover men redelijkerwijs kan beschikken. Er wordt dan ook een vast kortingsbedrag vastgesteld, ongeacht wat de partijen zelf overeenkomen.
Het voorgaande betekent overigens ook, dat bij een echtpaar geen korting wordt toegepast in verband met het feit, dat er inwonende kinderen zijn, die over eigen inkomsten beschikken.
Hoofdstuk
Artikel 4
Artikel 4
Onderdeel van Verordening Wet werk en bijstand - toeslagen op en verlagingen van de bijstandsnorm