Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 10.

Artikel 10.1

Inleiding en afbakening

Onderdeel van Uitvoeringsregels maatwerkvoorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2016

De burger kan toegang krijgen tot de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang als hijdaadwerkelijk dakloos is (feitelijk op straat staat), niet terug kan vallen op voorliggende voorzieningen of het eigen sociale netwerk en daarmee tijdelijk op geen enkele wijze in staat is om in zijn eigen onderdak te voorzien. Op grond van de Wmo 2015 omvat maatschappelijke opvang: opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving. (art. 1.2.1, sub c). Tot de doelgroep OGGZ 17 Binnen de regio is bij het opstellen van het ‘Regionaal Kompas’ voor deze definitie van het Trimbos instituut gekozen. behoren conform Trimbos (2003) sociaal kwetsbare mensen die aan alle volgende voorwaarden voldoen: niet of niet voldoende in staat zijn om in de eigen basale bestaansvoorwaarden te voorzien (onderdak, voedsel, inkomen, gezondheidszorg, sociale contacten); meerdere problemen tegelijkertijd ondervinden, waaronder bijvoorbeeld tekortschietende zelfverzorging, sociaal isolement, vervuiling van woonruimte en/of woonomgeving, gebrek aan vaste of stabiele woonruimte, psychische- en/of verslavingsproblemen; vanuit de optiek van professionele hulpverleners niet de zorg krijgen die zij nodig hebben om zich in de samenleving te handhaven; geen stabiel contact hebben met de geestelijke gezondheidszorg en/of de verslavingszorg; overlast veroorzaken en de veiligheid verstoren, waaronder veelplegers. Deze doelgroep betreft daarmee: (kwetsbare) burgers die te kampen hebben met een combinatie van problemen, met psychiatrische stoornis of ernstige psychosociale problemen, verslaving, schulden, verstandelijke beperking, (dreigende) dakloosheid. Deze groep is onvoldoende zelfredzaam om het eigen leven weer op de rit te krijgen. Een deel van de groep is zorgmijdend. Onder economisch daklozen wordt verstaan: Een dak- en thuisloze wordt gekwalificeerd als economisch dakloze als er geen sprake is van op de voorgrond tredende gedragsstoornissen die voortvloeien uit een psychisch/psychiatrisch ziektebeeld. Er is geen sprake van gedragsstoornissen die een (dreigende) overlast voor de omgeving vormen. De economisch dakloze heeft weinig tot geen begeleiding en ondersteuning nodig om zelfstandig te functioneren binnen de maatschappelijke opvang. Wel kan er behoefte zijn aan relatief beperkte begeleiding in het streven naar terugkeer naar zelfstandig wonen in de samenleving. Zwerfjongeren worden gezien als een aparte categorie. Het zijn ‘feitelijk of residentiële daklozen onder de 23 jaar met meervoudige problemen’. 18 Deze definitie is in 2011 landelijk tot stand gekomen na overleg tussen het ministerie van VWS, de Federatie Opvang, het Leger des Heils, de Stichting Zwerfjongeren Nederland, de MOgroep, de Algemene Rekenkamer, de VNG, het IPO en enkele grote gemeenten. Er gelden daarmee vergelijkbare criteria voor toegang tot de maatschappelijke opvang als voor volwassenen. Verschil met volwassenen is dat zwerfjongeren tot en met hun 18e nog leerplichtig zijn en tot hun 21e onder de verantwoordelijkheid van hun ouders vallen. Vanwege hun leeftijd en achtergrond kunnen daarom andere arrangementen gelden, bijvoorbeeld vanwege betrokkenheid van de jeugdzorg. De focus binnen de maatschappelijke opvang zal de komende jaren worden verlegd van opvang naar preventie en blijvend herstel na uitstroom. Mensen worden in hun eigen kracht ondersteund, zodat dakloosheid zoveel mogelijk wordt voorkomen. Doel is dat een opvangplek hooguit een korte tussenstop is, waarna weer participatie in de Nederlandse samenleving kan plaatsvinden. Voor alle voorzieningen van maatschappelijke opvang geldt dat de Brede Centrale Toegang (BCT) de ‘toegangspoort’ is. Dit is voortgevloeid uit de harmonisatie van de maatschappelijke opvang in de regio Zuid- en Midden-Kennemerland en Haarlemmermeer. De BCT geeft informatie en advies bij (dreigende) dakloosheid en indiceert voor de toegang tot de maatschappelijke opvangvoorziening. De taak voor maatschappelijke opvang wordt sinds 2008 door 43 centrumgemeenten in Nederland uitgevoerd. Voor centrumgemeente Haarlem betekent dit dat zij de verantwoordelijkheid heeft om voor Zuid- en Midden Kennemerland en Haarlemmermeer (10 gemeenten) maatschappelijke opvangplaatsen te realiseren. Over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen centrumgemeente en regiogemeenten, zowel procedureel als financieel, zijn afspraken vastgelegd in het Protocol Regionaal Kompas. De regio onderscheidt een aantal voorzieningen die elk ingericht zijn voor een specifieke doelgroep met de specifieke kenmerken en behoeften aan toezicht en begeleiding. Aan de toegangspoort wordt door de Brede Centrale Toegang eerst beoordeeld of iemand aanspraak maakt op de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang, waarna, ingeval er vastgesteld is dat iemand daadwerkelijk tijdelijk is aangewezen op deze maatwerkvoorziening, door de BCT moet worden vastgesteld welke voorziening maatschappelijke opvang in de regio het meest adequaat kan voorzien in de behoefte van betrokken cliënt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel