1.. De voorzitter van de raad benoemt bij aanvang van elke zittingsperiode een commissie tot onderzoek van geloofsbrieven, bestaande uit vijf leden.

2.. De commissie als bedoeld in het eerste lid benoemt uit haar midden een voorzitter een een plaatsvervangend voorzitter.

3.. Indien de commissie door ontstentenis van commissieleden niet bijeen kan komen in de samenstelling als genoemd in artikel 8a tweede lid is de voorzitter van de commissie bevoegd ad-hoc één of meerdere leden van de raad aan te wijzen om in vervanging van de ontbrekende leden van de comissie te voorzien.