De medewerker heeft, overeenkomstig het bepaalde in de
CAR/UWO, tenminste één keer in de drie jaar recht op een
persoonlijk ontwikkelingsplan.
Wanneer een medewerker en de leidinggevende geen behoefte
hebben aan het opstellen van een persoonlijk
ontwikkelingsplan voor de medewerker, zal dit schriftelijk
worden vastgelegd in het verslag van het
personeelsgesprek.
Leidinggevende en medewerker leggen de gemaakte afspraken
omtrent ontwikkelingsactiviteiten, faciliteiten en
voorwaarden schriftelijk vast en ondertekenen beiden. De
medewerker ontvangt daarvan een afschrift.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf
Artikel 3
Persoonlijk ontwikkelingsplan (kortweg POP)
Onderdeel van Personeelsgesprekken