Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf

Artikel 6

Beoordelingsgesprek

Onderdeel van Personeelsgesprekken

In onderling overleg stellen de leidinggevende en de medewerker minimaal twee weken vooraf een datum vast voor een beoordelingsgesprek. Als uitgangspunt voor het beoordelingsgesprek gelden de bevindingen in de personeelsgesprekken. De leidinggevende zorgt dat de beoordeelde medewerker minimaal 1 week voorafgaand aan het gesprek in het bezit wordt gesteld van de bevindingen uit personeelsgesprek(ken), op schrift. Het beoordelingsgesprek wordt gevoerd tussen de leidinggevende als eerste beoordelaar en de medewerker. Indien één van hen dit wenst, kan de tweede beoordelaar en/of een personeelsadviseur bij een gesprek aanwezig zijn. De leidinggevende licht in het gesprek zijn bevindingen uit het evaluatiegesprek of voorlopige beoordeling toe. De medewerker krijgt in het beoordelingsgesprek de gelegenheid om zijn visie op het functioneren tijdens de beoordelingsperiode kenbaar te maken. Indien de medewerker van mening is dat een informant, die nog niet is ingeschakeld door de eerste beoordelaar, essentiële informatie kan geven over zijn functioneren, kan hij dat in het beoordelingsgesprek aangeven. De eerste beoordelaar zal dan alsnog informatie inwinnen bij deze informant. Deze informatie zal worden meegewogen bij het opstellen van de definitieve beoordeling. De medewerker heeft de mogelijkheid om opmerkingen bij de beoordeling als kanttekening te laten opnemen op het personeelsgesprekformulier. In het beoordelingsgesprek dient dit te worden vermeld.

Rechtspraak bij dit artikel