In onderling overleg stellen de leidinggevende en de
medewerker minimaal twee weken vooraf een datum vast voor
een beoordelingsgesprek.
Als uitgangspunt voor het beoordelingsgesprek gelden de
bevindingen in de personeelsgesprekken.
De leidinggevende zorgt dat de beoordeelde medewerker
minimaal 1 week voorafgaand aan het gesprek in het bezit
wordt gesteld van de bevindingen uit personeelsgesprek(ken),
op schrift.
Het beoordelingsgesprek wordt gevoerd tussen de
leidinggevende als eerste beoordelaar en de medewerker.
Indien één van hen dit wenst, kan de tweede beoordelaar
en/of een personeelsadviseur bij een gesprek aanwezig
zijn.
De leidinggevende licht in het gesprek zijn bevindingen uit
het evaluatiegesprek of voorlopige beoordeling toe.
De medewerker krijgt in het beoordelingsgesprek de
gelegenheid om zijn visie op het functioneren tijdens de
beoordelingsperiode kenbaar te maken.
Indien de medewerker van mening is dat een informant, die
nog niet is ingeschakeld door de eerste beoordelaar,
essentiële informatie kan geven over zijn functioneren, kan
hij dat in het beoordelingsgesprek aangeven. De eerste
beoordelaar zal dan alsnog informatie inwinnen bij deze
informant. Deze informatie zal worden meegewogen bij het
opstellen van de definitieve beoordeling.
De medewerker heeft de mogelijkheid om opmerkingen bij de
beoordeling als kanttekening te laten opnemen op het
personeelsgesprekformulier. In het beoordelingsgesprek dient
dit te worden vermeld.