1.De tegenprestatie betreft het naar vermogen verrichten van door het
college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die
verricht worden naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet
leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt (artikel 9 lid 1 onderdeel c
Participatiewet).
2.De tegenprestatie heeft betrekking op uitkeringsgerechtigden in het
kader van de Participatiewet. Personen die volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt zijn, hoeven volgens de wet geen tegenprestatie te
verrichten (artikel 9 lid 5 Participatiewet).
3.De tegenprestatie kan als instrument ingezet worden om participatie te
bevorderen.
4.Indien de tegenprestatie als instrument wordt ingezet, gelden de
volgende uitgangspunten:
a.Het instrument dient een constructieve bijdrage te leveren aan het
bevorderen van
arbeidsinschakeling en participatie.
b.Het initiatief voor invulling van de tegenprestatie kan zowel bij de
uitkeringsgerechtigde als het Activerium liggen.
c.De tegenprestatie kan een verplichtend karakter hebben.
5.De tegenprestatie bedraagt maximaal 4 uur per week gedurende maximaal
3 maanden. De tegenprestatie kan maximaal 4 keer per jaar worden
opgedragen.