1.Voordat een verlaging wordt toegepast, wordt de jongere eerst in de
gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
2.Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten indien:
a.de vereiste spoed zich daartegen verzet;
b.de jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze
naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of
omstandigheden hebben voorgedaan;
c.de jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van
een derde aan wie het college met toepassing van artikel 11, vierde lid,
van de wet werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed, om
binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in
artikel 44 van de wet; of
d.het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de
ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.
Hoofdstuk 1.
Artikel 7
Horen van belanghebbende
Onderdeel van nr 12.16 Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren