Om voor de toeslag in aanmerking te komen gelden de volgende voorwaarden:
Leeftijd 21 tot 65 jaar
Geen in aanmerking te nemen vermogen
Gedurende minimaal drie jaar een laag inkomen (referteperiode)
Geen uitzicht op inkomensverbetering
In de verordening Langdurigheidstoeslag is o.a. bepaald dat personen die gedurende de referteperiode inkomen uit of in verband met arbeid hebben ontvangen, in principe uitzicht op inkomensverbetering hebben en dus niet voor de toeslag in aanmerking komen. Deze voorwaarde heeft tot gevolg dat men bij (gedeeltelijke) werkaanvaarding niet (meer) voor de Langdurigheidstoeslag in aanmerking komt, ondanks dat het inkomen op bijstandsniveau blijft. Dat is een ongewenste situatie, omdat deze voorwaarde de armoedeval in de hand werkt en haaks staat op het uitgangspunt dat werk de beste oplossing is voor armoede. Deze voorwaarde blokkeert dus de uitstroom.
Evenals bij de regiogemeenten, kan dit probleem worden opgelost door te bepalen dat de aard van het inkomen niet meer ter zake doet, als het maar niet meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Om te voorkomen dat personen met een inkomen dat iets boven de bijstandsnorm ligt worden uitgesloten, wordt voorgesteld de inkomensnorm te bepalen op 101% van de bijstandsnorm.
Voorstel: in de Verordening Langdurigheidstoeslag bepalen dat de inkomensgrens om in aanmerking te komen voor de toeslag wordt bepaald ter hoogte van 101% van de toepasselijke bijstandsnorm, waarbij de aard van het inkomen niet meer van invloed is.