Naar hoofdinhoud

Artikel 2.3

Beleidsdoelstellingen

Onderdeel van Beleidsplan Aanpak schulden MVS

Binnen de hiervoor beschreven kaders worden de volgende beleidsdoelstellingen beschreven: Intensiveren van preventie en nazorg; Optimaliseren van het gebruik van de voorzieningen van het armoedebeleid; Intensiveren vroegsignalering; Voorkomen van huisuitzettingen en afsluiting van gas, elektra en water; Bevorderen van toegankelijke, integrale schuldhulpverlening; Optimaliseren van het gebruik van ICT en gemeenschappelijke basisregistraties; Verbeteren en onderhouden samenwerking met de verschillende partners Hieronder worden deze beleidsdoelstellingen toegelicht. De bijbehorende indicatoren komen in hoofdstuk 3 aan de orde. Intensiveren preventie en nazorg Iedereen kan in financiële problemen terecht komen. Preventie speelt op 3 niveau’s. Primair: alle inwoners ter voorkoming van schuldproblemen. De voorzieningen zijn toegankelijk voor degenen die het nodig hebben, waarbij het niet uitmaakt of iemand oud, jong, gehandicapt of allochtoon is. Immers, de ene oudere kan prima budgetteren en de andere oudere niet. Analyses laten echter zien dat de problematiek relatief vaker voorkomt bij bepaalde groepen. Risicogroepen zijn bijvoorbeeld jongeren, gezinnen met kinderen en gezinnen met een laag inkomen[4]. Secundair richt preventie zich op vroegtijdige onderkenning, opsporing en behandeling bij de risicogroepen die we ervaren, door gerichte voorlichting, budgetcoaching, budgettraining etc. Tertiair gaat het om de personen die al problematische schulden hebben. De curatieve hulp, begeleiding en andere maatregelen zijn bedoeld om bestaande problemen op te lossen terwijl de preventieve activiteiten in feite nazorg zijn. Goede curatieve hulp (zoals schuldhulpverlening, fiscale screening) en nazorg hebben als zodanig weer een preventieve werking. Tertiaire preventie is bedoeld om erger (terugval, recidive of chronische problemen) te voorkomen. In het Activiteitenplan wordt op basis van de actualiteit aangegeven welke preventie activiteiten worden ingezet. Jongeren als risicogroep Jongeren zijn echter een belangrijke groep binnen het schuldhulpverleningsbeleid en zij worden daarom apart benoemd. Door jongeren al vroeg te leren omgaan met geld, en daarbij de ouders te betrekken, worden problemen op latere leeftijd voorkomen. Zodra zij leren anders met geld om te gaan en betere keuzes te maken, kunnen we financiële problemen in de toekomst en daarmee de overerving van armoede voorkomen. Hierbij wordt ook de samenwerking met bijvoorbeeld scholen, jongerenwerk en startpunt GO gezocht. Preventie heeft 2 kanten: Uitgavenkant; Inkomstenkant. Uitgavenkant Preventie aan de uitgaven kant kenmerkt zich door controle te krijgen op de uitgaven. Door de inzet van ervaringsdeskundigen en vrijwilligersorganisaties als Stichting BOOM, Schuldhulpmaatje, Humanitas Thuisadministratie en Seniorenwelzijn Thuisadministratie kunnen inwoners hulp krijgen bij bijvoorbeeld het ordenen van hun administratie. Grip op geld begint met overzicht. De preventiemedewerkers van Stroomopwaarts geven onder andere cursussen omgaan met geld, budgetadvies en budgetcoaching, voorlichting gericht op diverse kwetsbare groepen zoals jongeren (website/materiaal/lessen) en ondersteuning bij aanpassing van het uitgavenpatroon zoals bij life events. Life events zijn ingrijpende gebeurtenissen in iemands leven die een grote verandering met zich meebrengen en die grote gevolgen hebben voor de financiële situatie. Het gaat dan bijvoorbeeld om een echtscheiding, de geboorte van een kind, het verlies van een baan of het overlijden van een partner. Door hier tijdig op in te springen en mensen te ondersteunen bij het aanpassen van het uitgavenpatroon aan de nieuwe situatie kunnen financiële problemen voorkomen worden. Het stabiel houden van situaties valt ook onder preventie. Het leveren van maatwerk in een vroeg stadium kan escalatie voorkomen. Tijdelijke inzet van stabilisatieperiode kan bijvoorbeeld rust creëren om aan gedragsverandering en een duurzame oplossing te werken. Inkomstenkant Bij preventie aan de inkomstenkant ligt heel duidelijk de relatie met het armoedebeleid en het verbeteren van het perspectief en de (inkomens)situatie van burgers. Dit komt tot uitdrukking in doelstelling 2. Optimaliseren van het gebruik van de voorzieningen van het armoedebeleid In de beleidsnotitie vernieuwd armoedebeleid MVS 2016 t/m 2019 staan de toegankelijkheid van de voorzieningen, zelfredzaamheid, maatwerk en samenwerking centraal. We willen armoede (en daarmee schulden) voorkomen, zorgen dat mensen actief meedoen in de maatschappij en dat kinderen zich kunnen ontplooien en ontwikkelen. Deze gemeenschappelijke doelen kunnen we alleen bereiken door samen te werken. Niet alleen binnen Stroomopwaarts MVS, maar met en tussen maatschappelijke organisaties op het gebied van zorg, jeugd, onderwijs en wijkontwikkeling en met de doelgroep zelf. Om een maatschappelijk probleem op het gebied van armoede en schulden in de wijken gezamenlijk aan te pakken, willen we onder andere gebruik maken van maatschappelijk aanbesteden. Voor de oplossing van een maatschappelijk probleem kunnen lokale organisaties zich ‘inschrijven’ om het vraagstuk op te lossen. Daarbij wordt een financieel kader vastgesteld en prestatie-indicatoren opgesteld. Voorwaarden voor het inschrijven zijn de samenwerking tussen organisaties en het erbij betrekken van inwoners. Er ontstaat op deze manier een combinatie van professionele organisaties en vrijwilligers. Het uitgangspunt hierbij is dat er (meer) betrokkenheid is en een breed draagvlak. Maatschappelijk aanbesteden is een manier om door het herinrichten van de financiële stromen te sturen op bepaalde maatschappelijke effecten. Intensiveren vroegsignalering Als onderdeel van preventie wordt in toenemende mate vroegsignalering ingezet. ‘Vroegsignalering binnen de schuldhulpverlening is het in een zo vroeg mogelijk stadium in beeld brengen van mensen met financiële problemen om vroegtijdige hulpverlening mogelijk te maken door gebruik te maken van daadwerkelijke signalen en outreachende hulpverlening.’ Vroegsignalering kan gezien worden als een vorm van secundaire preventie, aangezien vroegsignalering zich richt op vroegtijdige onderkenning en opsporing van mensen met problematische schulden. Bij vroegsignalering gaat het om intern en extern doorverwijzen en signaleren door derden[5]. Er is sprake van intern doorverwijzen bij afspraken binnen de eigen organisatie over doorverwijzen naar schuldhulpverlening bij gesignaleerde (dreigende) problematische schulden. Bij extern doorverwijzen zijn deze afspraken gemaakt met andere bedrijven en instellingen. De inwoners nemen zelf, eventueel met behulp van de verwijzer, contact op met schuldhulpverlening. In het geval van verwijzing door derden worden er afspraken gemaakt met bedrijven en instellingen dat deze zelf signalen aan Stroomopwaarts afgeven wanneer zij vermoeden of weten dat er sprake is van (dreigende) problematische schulden bij hun klanten. Het kan gaan om feitelijke gegevens als betalingsachterstanden, maar ook om andere signalen. De signalen worden afgegeven met of zonder medeweten van de klanten, maar niet door de klanten zelf. Hierbij wordt rekening gehouden met de regels omtrent privacy, zoals de Wet bescherming persoonsregistratie (Wbp). Voorkomen van huisuitzettingen en afsluiting van gas, elektra en water Met woningbouwcorporaties wordt samengewerkt om het oplopen van huurschulden te voorkomen. Woningbouwcorporaties wijzen huurders actief door naar schuldhulpverlening. Ook wordt samengewerkt om huisuitzettingen te voorkomen. Het oplopen van schulden op het gebied van energie- en watervoorziening wordt voorkomen doordat met energie- en waterbedrijven afspraken zijn gemaakt op het gebied van signalering van schuldsituaties in een vroeg stadium. Ook hierbij wordt rekening gehouden met de wettelijke regels omtrent privacy. Bevorderen van toegankelijke, integrale schuldhulpverlening Schuldhulpverlening moet toegankelijk en laagdrempelig zijn en zoveel mogelijk aansluiten bij reeds bestaande voorzieningen waar de doelgroepen komen. De wijkteams zijn een belangrijke schakel. Ze zijn dichtbij en makkelijk te bereiken. Inwoners vinden in hun wijk de ondersteuning die aansluit bij hun persoonlijke situatie. Door mensen in een zo vroeg mogelijk stadium op een laagdrempelige manier te bereiken kan door inzet van de juiste instrumenten escalatie van de problematiek voorkomen worden. In de praktijk is het sociale wijkteam vaak eerste lijn en de gemeentelijke schuldhulpverlening tweede lijn. Het treffen van schuldregelingen vraagt heel specifieke, vaak ook juridische kennis. Goede samenwerking is belangrijk. Van de hulpvragen die wijkteams krijgen is 60-70%[6] financieel van aard. Samenwerking gemeenten en wijkteams In de praktijk kan het echter voorkomen dat inwoners een keer goed in de problemen komen zonder dat een wettelijke regeling (tijdig) benut kan worden. Ondanks dat betrokken partijen elkaar weten te vinden en samenwerken zijn gemeenten ook gebonden aan wettelijke regels, zoals de Participatiewet en regels rond schuldhulpverlening. Bovendien kost toetsen aan regels ook tijd. In die gevallen moet er iets gebeuren, al was het maar om erger en meer kostbare problemen te voorkomen, omdat er vaak sprake is van multiproblematiek. Door de hulpverlener moet een plan worden gemaakt voor structurele verbetering, er moet wel perspectief zijn voor het gezin. In die situaties moet ook oog zijn voor een structurele kosten-batenanalyse: “Wat kost een gezin als de situatie escaleert?”. Met elkaar kunnen we zo komen tot maatwerk. In dit soort gevallen kan het handig zijn een apart potje te hebben bij bijvoorbeeld het wijkteam, waaruit relatief kleine bedragen kunnen worden betaald. Dit kan werken als smeerolie voor de hulpverlening en kan voorkomen dat de situatie escaleert. Landelijk zijn er verschillende initiatieven die voortborduren op deze insteek, zoals bijvoorbeeld een apart noodhulpbureau Stichting Urgente Noden (SUN). Een noodhulpbureau geeft geld als mensen in acute financiële nood verkeren. Particuliere fondsen en gemeenten betalen daar aan mee. De aanvraag wordt altijd gedaan door een professionele hulpverlener, die vervolgens de noodzakelijke uitgaven voor zijn klant doet. De hulpverlener en het noodhulpbureau checken altijd eerst of er een voorliggende voorziening is en of die op tijd beschikbaar is. Een noodhulpbureau is meestal niet gebonden aan de wettelijke kaders waar de gemeente mee te maken heeft en kan bovendien sneller hulp bieden. Het Rijk wil echter niet dat gemeenten via een SUN de wet omzeilen. Een ander initiatief is het Goede Gieren-fonds. Landelijk lopen pilots in 3 gemeenten waarbij een onorthodoxe oplossing voor (schuld)problemen wordt gezocht. Voor 20 gezinnen brengen de Goede Gieren het plaatje in kaart. In de hulpverlening vormt het voortwoekeren van het ene probleem vaak een belemmering voor een ander probleem. Schulden werken verlammend. Bij een integraal plan hoort dat de problemen op alle leefgebieden worden aangepakt. De filosofie van de Goede Gieren is het creëren van een positieve spiraal. Er wordt een integrale kosten-batenanalyse gemaakt, er wordt een plan gemaakt om die kosten omlaag te brengen en de wettelijke beperkingen daarbij worden geïnventariseerd. De insteek van de landelijke pilots is een uitbreiding van het handelingsrepertoire van de schuldhulpverlening en het vergroten van het perspectief van de klant om het heft weer in eigen hand te nemen. In het huidige schuldhulpverleningssysteem kun je pas na 3 tot 5 jaar met een schone lei beginnen. Als je initiatief neemt door bijvoorbeeld meer te gaan werken, wordt er meer afgedragen aan de schuldeisers. De Goede Gieren willen die gedragstheorie omdraaien en initiatief belonen, ook al zit je in de schulden. Dat schulden je eigen schuld zijn geldt niet meer voor iedereen. Wie door huiselijk geweld op straat komt te staan kan in de schulden komen. Wie zijn of haar baan verliest moet soms zijn of haar huis verkopen met een restschuld als gevolg. Daarbij komt dat er situaties zijn waarbij aan de achterkant van de schulden een veelvoud aan maatschappelijke kosten kunnen ontstaan (ontruiming, maatschappelijke opvang, jeugdzorg etc.). Deze kosten kunnen behoorlijk oplopen[7]. De Goede Gieren-aanpak wil een innovatieve en alternatieve omgang met schuldenproblematiek mogelijk maken, door niet te vertrekken vanuit formele mogelijkheden, maar vanuit een kosten-batenanalyse. Hoofddoel van de landelijke pilots zijn leren wat werkt en vooral ook leren wat niet werkt. Die lessen zijn ook belangrijk om werkbare alternatieven in de schuldhulpverlening te ontwikkelen. Optimaliseren van het gebruik van ICT en gemeenschappelijke basisregistraties De werkprocessen worden zo ingericht dat maximaal gebruik wordt gemaakt van ICT. Er wordt op gelet dat administratieve systemen zoveel mogelijk aan elkaar gekoppeld kunnen worden. Om de uitvoering van de wet gemeentelijke schuldhulpverlening te vereenvoudigen is een AMvB Gegevensuitwisseling gemeentelijke schuldhulpverlening in voorbereiding (Besluit gegevensuitwisseling). Daarin wordt vastgelegd welke gegevens die gemeenten voor de sector werk en inkomen al beschikbaar hebben en op welk moment en met welk doel deze gegevens elektronisch mogen worden uitgewisseld ter verificatie van de informatie die door de klant is geleverd. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 juli 2016. Hiermee kan de dienstverlening naar inwoners worden verbeterd (meer signaleringsmogelijkheden, minder formulieren, digitale aanvraag). Onderhouden en verbeteren samenwerking met de verschillende partners Schulden zijn vaak geen op zichzelf staand probleem. In veel gevallen is er sprake van multiproblematiek. Alleen door nauw met elkaar samen te werken, gebruik te maken van elkaars expertise en op het juiste moment door te verwijzen naar de juiste partij kan de schuldenproblematiek worden aangepakt. Hierbij is het wenselijk heldere afspraken met de verschillende partners te hebben over rol- en taakverdeling, doelstellingen, termijnen en de wijze waarop de partijen elkaar in de loop van de trajecten op de hoogte houden. [4] Handreiking “De eindjes aan elkaar knopen, Cruciale vragen bij financiële problematiek in de wijk” door Nadja Jungmann, Peter Wesdorp en Gejo Duinkerken. [5] Uit verkennende studie Vroegsignalering problematische schulden door gemeenten, Inspectie SZW [6]Handreiking “De eindjes aan elkaar knopen, Cruciale vragen bij financiële problematiek in de wijk” door Nadja Jungmann, Peter Wesdorp en Gejo Duinkerken. [7]NIBUD, Schulden in Nederland. Omvang en gevolgen, oktober 2014

Rechtspraak bij dit artikel