Bij de verlening van bijzondere bijstand dient, op grond van artikel 35
lid 1 Participatiewet en de toelichting hierop, rekening te worden
gehouden met de draagkracht van belanghebbende. Daarbij dient geheel of
gedeeltelijk in beschouwing te worden genomen:
het in aanmerking te nemen vermogen
het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de van toepassing
zijnde bijstandsnorm
De duur en de aanvang van de draagkrachtperiode dient vastgesteld te
worden door het college. De belanghebbende dient hiervan in de
beschikking in kennis te worden gesteld. In de volgende paragrafen zal
uiteengezet worden in welke situaties de draagkracht van toepassing is
en op welke wijze hiermee rekening wordt gehouden bij aanvragen om
bijzondere bijstand
Draagkrachtberekening en draagkrachtperiode
Bij de bepaling van de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand
is van belang in hoeverre een belanghebbende een inkomen boven
bijstandsniveau heeft en over een vermogen beschikt dat groter is dan
het vrij te laten vermogen. Indien daar sprake van is, wordt verwacht
dat iemand zelf (voor een deel) kan bijdragen in de bijzondere kosten.
Om de eigen draagkracht vast te stellen is derhalve een
draagkrachtberekening noodzakelijk.
Iemand die een Participatiewet uitkering ontvangt, heeft
geen inkomen of vermogen boven bijstandsniveau. Er behoeft dan ook
geen draagkracht en draagkrachtperiode te worden bepaald. Het
college houdt bij de bepaling van de draagkracht geen rekening met
de kostendelersnorm.
Overige minima
Voor overige minima wordt bij een aanvraag bijzondere bijstand de
draagkracht en de draagkrachtperiode vastgesteld. Na afloop van de
draagkrachtperiode wordt het inkomen en vermogen opnieuw opgevraagd en
de draagkracht en de draagkrachtperiode opnieuw vastgesteld.
Vaststellen draagkrachtperiode
Voor aanvragers tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd
wordt de
draagkracht voor de periode van een jaar vastgesteld. Voor mensen die
de
pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt wordt de draagkracht voor de
periode van vijf jaar vastgesteld, waarbij periodiek het BRP (wijziging
woon- en/of gezinssituatie) en Suwinet (wijzigingen m.b.t. de inkomsten)
worden gecontroleerd. Wanneer er aanleiding voor bestaat kan een kortere
draagkrachtperiode worden vastgesteld (bijvoorbeeld indien de hoogte van
het pensioen op korte termijn kan wijzigen).
De reden om voor mensen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben
bereikt een andere werkwijze te hanteren is het feit dat hun inkomens-
en vermogenssituatie veel stabieler is. Bovendien vermindert dit de
regeldruk.
Om zo efficiënt mogelijk te kunnen werken wordt voor overige minima bij
een eerste aanvraag de draagkracht en de draagkrachtperiode vastgesteld.
Bij nieuwe aanvragen bijzondere bijstand of minimaregelingen, die vallen
binnen een lopende draagkrachtperiode, kan worden volstaan met een
verkorte aanvraag, waarbij niet opnieuw alle gegevens opgevraagd hoeven
te worden. Ten behoeve van voortzetting van bijzondere bijstand worden
na afloop van de draagkrachtperiode de inkomens- en vermogensgegevens
opnieuw beoordeeld.
Ook voor overige minima geldt de inlichtingenplicht (art. 17
Participatiewet). Deze inlichtingenplicht wordt opgenomen in de
toekenningsbeschikking.
Artikel 31 Participatiewet
Sommige inkomens- en vermogensbestanddelen worden niet meegeteld bij
de
draagkrachtvaststelling. De inkomsten worden netto,
exclusief vakantietoeslag, in de berekening
betrokken.
Bepaalde kosten die de belanghebbende maakt, worden van zijn inkomen
afgetrokken bij de draagkrachtberekening. Dit zijn de zogenaamde
buitengewone uitgaven.
Hieronder vallen:
noodzakelijke extra uitgaven i.v.m. de uitoefening van eigen
bedrijf of zelfstandig beroep;
alimentatie voor niet in het gezin levende kinderen of
ex-echtgeno(o)t(e).
De draagkracht wordt in principe voor een heel jaar vastgesteld. De
draagkrachtperiode begint te lopen op de eerste dag van de maand waarin
de bijzondere bijstand wordt aangevraagd. Een nieuwe draagkrachtperiode
hoeft dus niet aan te sluiten op een vorige draagkrachtperiode.
Wanneer de omstandigheden dat vragen kan ook een andere aanvangsdatum
worden gekozen als startpunt van de draagkrachtperiode. Dit kan het
geval zijn als de kosten eerder gemaakt zijn dan de aanvraag is
ingediend en de draagkracht in deze periode aanmerkelijk hoger ligt dan
ten tijde van de aanvraagdatum.
Wanneer de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd betrekking
hebben op een kortere of een langere periode dan een jaar, dan wordt de
draagkracht over die kortere of langere periode in aanmerking
genomen.
Niet de gehele draagkrachtruimte hoeft als draagkracht te worden
aangewend om voor bijstand in aanmerking te komen.
De draagkracht bestaat uit de volgende componenten:
100% van het meer vermogen, zoals bedoeld in artikel 34
Participatiewet
35% van het inkomen boven 110% van de van toepassing zijnde
bijstandsnorm
Deze percentages gelden in principe voor alle bijzondere kosten van het
bestaan, tenzij in het gemeentelijk beleid ten aanzien van specifiek
genoemde bijzondere kosten nadrukkelijk anders is vastgesteld. Dit is
bijv. het geval bij de woonkostentoeslag.
Als de vastgestelde draagkracht lager is dan € 25,00 per jaar dan wordt
deze niet toegepast.
Draagkracht en WSNP
De Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) maakt het mogelijk
dat
schuldeisers verplicht kunnen worden mee te werken aan een
schuldsanering. Voor de schuldenaar betekent dit dat het inkomen boven
de van toepassing zijnde bijstandsnorm, aangewend wordt ten behoeve van
de aflossing van de schuldeisers. Hierdoor komt het netto besteedbaar
inkomen van de schuldenaar op (of beneden) bijstandsniveau. Bij
aanvragen om bijzondere bijstand moet bij berekening van de draagkracht
van het werkelijk netto besteedbaar inkomen
worden uitgegaan en niet van het inkomen voor aftrek van de door de
bewindvoerder opgelegde bijdrage in de sanering.
Bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling
op grond van de WSNP is uitgesproken, geldt dat het college enkel de
draagkracht kan berekenen over middelen waarover belanghebbende
daadwerkelijk de beschikking heeft.
Verder is het uiteraard van belang dat wordt nagegaan in hoeverre de
bijzondere kosten noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere
omstandigheden.
Van bijzondere omstandigheden kan worden gesproken als iemand een
schuldsaneringstraject volgt in het kader van de WSNP. Deze trajecten
duren 3 of 5 jaar, waarbij moet worden aangetekend dat voorafgaand aan
de schuldsanering in het kader van de WSNP er vaak al enkele jaren zijn
verstreken waarin het netto besteedbaar inkomen op of rond de 90%
(bescherming beslagvrije voet) van het minimum heeft gelegen. Hieruit
vloeit direct voort dat van reservering geen enkele sprake is geweest en
dat de aflossingscapaciteit volledig is opgesoupeerd door de aflossing
van schulden. Door bijstand te verlenen in schuldsituaties wordt
indirect bijstand voor schulden gegeven, hetgeen ingevolge artikel 13
lid 1 sub g Participatiewet in principe niet mogelijk is. In het
WSNP-traject is het echter niet toegestaan om nieuwe schulden te maken,
hetgeen voor een belanghebbende betekent dat hij en op de armoedegrens
leeft en aangewezen kan zijn op bijzondere bijstand indien er zich uit
bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten voordoen. Deze situatie
is niet wenselijk, ongeacht de oorzaken van de schulden, waardoor een
belanghebbende in de WSNP terecht is gekomen. De gemeente kan onder
toepassing van artikel 49 sub b Participatiewet een dringende reden
aannemen, en uit praktisch en sociaal oogpunt uitgaan van het netto
besteedbaar inkomen.
Draagkracht en minnelijk traject
Voorafgaand aan een WSNP-traject, zoals onder het vorige kopje
beschreven, wordt een minnelijk traject doorlopen door de
belanghebbende. In dit minnelijke traject wordt met de schuldeisers
getracht tot overeenstemming te komen over de aflossing en terugbetaling
van schulden. Belanghebbenden worden in deze fase vaak geconfronteerd
met deurwaarders en beslagleggingen op loon of uitkering. Met hulp van
de GKB kan een verzoek worden gedaan tot een minnelijke schuldregeling,
waarbij getracht wordt overeenstemming te krijgen met de schuldeisers
over een algehele aflossing van (een deel van) de schulden. Indien het
minnelijke traject is mislukt, wegens ontbreken van medewerking van alle
schuldeisers, dan wel van de schuldenaar, kan eventueel het WSNP-traject
worden opgestart. Het is alleszins redelijk om in de fase van het
minnelijke traject ten aanzien van draagkrachtbepalingen uit te gaan van
het werkelijk netto besteedbaar inkomen, conform de werkwijze zoals in
de situatie van een bewindvoering in het kader van de WSNP.
Toetsingskader draagkracht
Voor aanvragers tot de pensioengerechtigde leeftijd wordt de
draagkracht voor de periode van een jaar vastgesteld. Voor
mensen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt wordt
de draagkracht voor de periode van vijf jaar vastgesteld.
De draagkrachtperiode begint te lopen op de eerste dag van de
maand waarin de bijzondere bijstand wordt aangevraagd.
De draagkracht bestaat uit de volgende componenten:
100% van het meer vermogen, zoals bedoeld in artikel 34
Participatiewet
35% van het inkomen boven 110% van de van toepassing
zijnde bijstandsnorm
Als de vastgestelde draagkracht lager is dan € 25,00 per jaar
dan wordt deze niet toegepast.
In een WSNP-traject, en in het minnelijke traject daaraan
voorafgaand, neemt het college onder toepassing van artikel 49
sub b Participatiewet een dringende reden aan, en gaat uit een
praktisch en sociaal oogpunt uit van het netto besteedbaar
inkomen.
Deel 1
Artikel 1.3
Draagkracht en vermogen/inkomen
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid 2016