Algemeen
Ten aanzien van het verstrekken van leningen hanteert de gemeente een
voorliggende voorziening. In principe is de Gemeentelijke Kredietbank
(GKB) de aangewezen instantie om leningen te verstrekken aan
bijstandsgerechtigden. Dit speelt met name bij leningen voor
inrichtingskosten. Door de GKB wordt getoetst of een lening
realiseerbaar is. Veelal zal een verzoek aan de gemeente volgen om de
aflossingsruimte in de bijstand aan te wenden en zal worden verzocht om
het vastgestelde aflossingsbedrag in te houden op de Participatiewet
-uitkering.
Bijzondere bijstand
De gemeente hanteert voor inhouding voor aflossingen op leningen het
volgende beleid: Maximaal 5% van de van toepassing zijnde
Participatiewet -norm inclusief vakantietoeslag wordt aangewend voor de
maandelijkse aflossing van een lening afgesloten via de GKB of via de
gemeente. De 5%-norm wordt aangehouden vanwege een veronderstelde
reserveringscapaciteit voor duurzame gebruiksgoederen in de norm. Indien
de gewenste aflossingsbedragen door de GKB uitstijgen boven de 5%-norm,
dan wordt voor het meerdere bijzondere bijstand ‘om
niet’ verleend (voor zover het gaat
ombijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan
). Centrale gedachte hierbij is dat een gerechtigde op een
Participatiewet -uitkering niet in staat moet worden geacht om langdurig
een deel van een toch al minimaal inkomen te moeten besteden aan de
aflossing van schulden of een lening. De aanpassing van de normen per
(half) jaar en de daaruit voortvloeiende wijziging van de aflossing en
de bijzondere bijstand geschiedt door de administratie.
NB: Wanneer men niet heeft afgelost conform bovenstaand beleid en er
moet worden teruggevorderd, dan geldt het op dat moment geldende
gemeentelijke terugvorderingsbeleid.
Beslaglegging
Indien er beslag wordt gelegd op de uitkering, dan zal, afhankelijk van
de preferentie van de beslaglegging, de aflossing tijdelijk moeten
worden beëindigd, omdat de gerechtigde op een Participatiewet -uitkering
immers de bescherming heeft van de beslagvrije voet. Daardoor ontvangt
hij altijd minimaal een bedrag van 90% van de voor hem geldende norm. In
De Wolden is de aflossingsruimte vastgesteld op 5%. Hierdoor blijft er
ruimte over voor beslaglegging en wordt de aflossing niet beëindigd bij
beslaglegging.
Als al beslag is gelegd op de uitkering op het moment van toekenning
van
leenbijstand, dan wordt de beslaglegging voortgezet en vindt aflossing
van de lening pas plaats als het beslag is opgeheven. Dit geldt echter
niet als er sprake is van terugvordering van bijstand. Terugvordering is
een bevoorrechte vordering en zal tot gevolg hebben dat de meeste
beslagleggingen door derden moeten worden opgeschort.
Maatregel of boete
Indien aan een belanghebbende een maatregel op grond van de
Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ De Wolden is
opgelegd of de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive,
dient de aflossing te worden stopgezet en achtereenvolgens eerst de
boete en daarna de maatregel te worden verrekend. Dit gebeurt in
principe in overleg met de belanghebbende, doch zijn/ haar medewerking
is niet vereist. De aflossing van de schulden wordt hervat nadat de
boete en/ of de maatregel zijn voldaan. De bijzondere bijstand wordt dan
eveneens weer voortgezet.
Toetsingskader aflossing leningen en bijzondere bijstand
Maximaal 5% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief
vakantietoeslag wordt aangewend voor de aflossing van een lening
bij de GKB of de gemeente.
Bedraagt het aflossingsbedrag meer dan de 5%-norm zoals onder 1.
vermeld dan wordt voor het meerdere bijzondere bijstand ‘om
niet’ verleend.
Deel 3
Artikel 3.2
Aflossing leningen en bijzondere bijstand
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid 2016