Een medewerker kan vanaf de leeftijd van 60 jaar gebruik maken van de mogelijkheid om 20 % van zijn oorspronkelijke formele arbeidsduur op jaarbasis minder te gaan werken met behoud van zijn formele arbeidsduur onder doorbetaling van 90% van zijn oorspronkelijke salaris en onder behoud van de volledige oorspronkelijke pensioenopbouw (zogenaamde regeling 80/90/100). Als gevolg van deelname aan deze regeling wordt het verlof van de medewerker met 20 % gekort.
Een medewerker kan vanaf de leeftijd van 64 jaar gebruik maken van de mogelijkheid om 40 % van zijn oorspronkelijke formele arbeidsduur op jaarbasis minder te gaan werken met behoud van zijn formele arbeidsduur onder doorbetaling van 80% van zijn oorspronkelijke salaris en onder behoud van de volledige oorspronkelijke pensioenopbouw (zogenaamde regeling 60/80/100). Als gevolg van deelname aan deze regeling wordt het verlof van de medewerker met 40 % gekort.
Voor de minder te werken uren wordt buitengewoon verlof verleend.Er dient ten minste een formele arbeidsduur van 14,4 uur per week te resteren.
Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid of tweede lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Van zo’n belang is in ieder geval sprake indien toekenning van de aanvraag leidt tot ernstige problemen:
voor de bedrijfsvoering bij herbezetting van de vrijgekomen uren,
op het gebied van veiligheid of
van roostertechnische aard.
De wijzigingen als bedoeld in het eerste lid of tweede lid geschieden met ingang van de eerste dag van een kalendermaand. Wijziging met terugwerkende kracht is niet mogelijk.
De wijzigingen als bedoeld in het eerste lid of tweede lid geschieden niet eerder dan drie maanden en niet later dan zes maanden na het verzoek van de medewerker. Van de driemaandentermijn kunnen werknemer en college in gezamenlijk overleg afwijken.