De tweede voorwaarde betreft de motivering door de aanvrager. Voor de Jeugdwet moet de aanvrager motiveren dat het bestaande aanbod van zorg in natura van de gemeente niet passend is en dat de aanvrager gebruik wenst te maken van een PGB.
In de Wmo moet de aanvrager motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening als PGB geleverd wenst te krijgen.
Uit de argumentatie moet duidelijk worden dat de aanvrager zich voldoende heeft georiënteerd op de voorziening in natura. Wanneer een persoon de onderbouwing in redelijkheid heeft beargumenteerd, mag de gemeente de aanvraag niet weigeren. De argumentatie geeft de gemeente de informatie waarom mensen niet voor zorg in natura, maar voor het PGB kiezen. Als dit samenhangt met de gecontracteerde ondersteuning, de contractpartner, de kwaliteit, flexibiliteit of cliëntgerichtheid, geeft dit de mogelijkheid voor de gemeente om bij te sturen.
Anders dan bij de eerste en derde voorwaarde is bij deze voorwaarde niet het oordeel van het college leidend, maar het oordeel van de aanvrager. Dit geldt ook wanneer de gemeente in haar ogen een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod in natura heeft gedaan aan de cliënt. In deze gevallen kan de gemeente het PGB op grond van de motivering niet weigeren, mits ook wordt voldaan aan de eerste en derde voorwaarde. Uiteindelijk ligt de keuze om wel of geen beschikking af te geven bij de gemeente. Als de gemeente weigert een PGB te verstrekken, dan is dat een besluit waartegen een aanvrager bezwaar kan maken.
Op grond van de Jeugdwet mag de gemeente een PGB niet weigeren als de kosten hoger zijn dan bij een voorziening in natura. Wanneer de jeugdhulp die gefinancierd wordt in het kader van PGB duurder is dan een voorziening in natura kan de hoogte van het PGB worden vastgesteld op het tarief van de ingekochte ZIN. De extra kosten om jeugdhulp in te kopen via het PGB zijn dan voor rekening van de aanvrager.
Op grond van artikel 2.3.6. lid 5 aanhef en onder a van de Wmo kan het college een PGB weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening. De woorden “voor zover” betekent dat de gemeente het PGB alleen kan weigeren voor dat deel van de kosten die meer zijn dan bij zorg in natura. Juridisch gezien is dit een verschil ten opzichte van de Jeugdwet, maar materieel gezien is het hetzelfde.
Hieronder staan enkele voorbeelden van argumenten die aanvragers kunnen aanvoeren om te motiveren dat de hulp in natura niet passend is:
de benodigde ondersteuning of jeugdhulp is niet goed vooraf in te plannen;
de benodigde ondersteuning of jeugdhulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden;
de benodigde ondersteuning of jeugdhulp moet op veel korte momenten per dag geboden worden;
de benodigde ondersteuning of jeugdhulp moet op verschillende locaties worden geleverd;
als het noodzakelijk is om 24 uur ondersteuning of jeugdhulp op afroep te organiseren;
als de ondersteuning of jeugdhulp door de aard van de beperking door een vaste hulpverlener moet worden geboden (bijvoorbeeld bij autisme of hechtingsproblematiek);
godsdienstige gezindheid, levensovertuiging of culturele achtergrond kunnen ook een reden zijn voor cliënten om te kiezen voor een PGB. Zij kunnen met een PGB een aanbieder contracteren die past bij de eigen identiteit.
Hoofdstuk
Artikel 3.2