Naar hoofdinhoud
Ons sociale zekerheidsstelsel is gebaseerd op solidariteit. Om dit stelsel in stand te houden is een blijvend draagvlak in de samenleving nodig. Naleving speelt hierin een belangrijke rol. Als uitkeringsgerechtigden zich niet aan de regels houden (i.e. de regels niet naleven) kunnen belastingbetalers daar nadelen van ondervinden. Daarnaast gaat dit in tegen het rechtvaardigheidsgevoel van uitkeringsgerechtigden en andere burgers die zich wel aan de regels houden. Niet-naleving kan zo ook leiden tot een verminderde nalevingsbereidheid van andere burgers. Hiermee komen de geloofwaardigheid en uiteindelijk het draagvlak van het sociale zekerheidsstelsel in het geding. Ten onrechte verstrekte bijstandsuitkeringen zorgen er bovendien voor dat de sociale zekerheid duurder wordt. Hierdoor kan ook de houdbaarheid van het stelsel in het geding komen. Het kabinet heeft gekozen voor een strengere aanpak van uitkeringsfraude. De afspraken die hierover zijn vastgelegd in het regeerakkoord, zijn verder uitgewerkt in het SZW-handhavingsprogramma 2011-2014[1] en hebben uiteindelijk hun beslag gekregen in de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving. Het College van procureurs generaal van het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van deze wet de aanwijzing sociale zekerheidsfraude gewijzigd. 2.1. Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving Deze wet regelt dat fraude met uitkeringen op het gebied van Sociale Zaken en Werkgelegenheid veel zwaarder bestraft zal worden en is ingegaan op 1 januari 2013. Het strengere sanctieregime bij geconstateerde fraude bestaat uit drie onderdelen. Herinvoeren bestuurlijke boete[2] De bestuurlijke boete is opnieuw ingevoerd. Dit houdt in dat schending van de inlichtingenplicht zwaarder wordt bestraft. Op grond van de wetgeving bedroeg de boete in eerste aanleg 100% van het netto benadelingsbedrag, waarbij de minimale boete € 150,00 was. De bestuurlijke boete wordt niet opgelegd als de fraudeur strafrechtelijk wordt vervolgd. Het Openbaar Ministerie gaat echter in principe pas over tot strafrechtelijke vervolging bij eenbenadelingsbedrag vanaf € 50.000,--. De bestuurlijke boete kan dus behoorlijk oplopen. Terugvorderen De wet bepaalt dat gemeenten verplicht zijn tot gehele terugvordering van het ten onrechte verstrekte bedrag verhoogd met de boete, tenzij er tien jaar is voldaan de betalingsverplichting. Debiteuren met een fraudeschuld van voor 2013 vallen nog onder het oude beleid van de gemeente Weert. Gemeenten mogen, in beginsel, geen medewerking verlenen aan een schuldregeling als er een vordering is ontstaan door schending van de inlichtingenplicht en hiervoor een boete is opgelegd of als er aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van strafrecht. Dit vloeit voort uit artikel 60c van de Participatiewet. Het gaat hierbij om een schuldregeling met als resultaat finale kwijting van het openstaande bedrag. Het college is immers verplicht om deze kosten terug te vorderen. Gemeenten hebben wel de mogelijkheid om de vordering tijdens de schuldregeling op te schorten of mee te laten lopen, waarbij het resterende bedrag na afloop van de schuldregeling alsnog wordt betaald. Om hierover geen misverstanden te laten bestaan zal artikel 60c van de Participatiewet op dit onderdeel verduidelijkt worden.Daarnaast kan er uitsluiting van schuldhulpverlening in de brede zin aan de orde zijn indien het college van B&W de toegang tot schuldhulpverlening weigert op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Dit is een bevoegdheid en geen verplichting, waarbij de gemeente bovendien altijd een individuele afweging dient te maken. ] In beide situaties gaat het niet om een wettelijke verplichting en hoeft uitsluiting niet nodig te zijn. Gemeenten hebben ruimte om mensen ook in geval van fraude schuldhulpverlening te bieden. Recidive Bij recidive moet een boete worden opgelegd van 150% van het fraudebedrag. Daarnaast kan de boete gedurende een periode van maximaal drie maanden verrekend worden met de uitkering.[#_ftn2]De uitkering wordt dan niet beëindigd maar de beslagvrije voet wordt tijdelijk buiten werking gesteld. De klant ontvangt dan drie maanden geen geld van de gemeente en met dit geld wordt (een deel van) de boete afgelost. Het buiten werking stellen van de beslagvrije voet is een discretionaire bevoegdheid van de gemeente. In eerste instantie had de wetgever voorzien in een plicht tot volledige verrekening van de boetevordering. Bij amendement is deze verplichting echter omgezet in een bevoegdheid, zodat de gemeente de mogelijkheid heeft om daar waar volledige verrekening onwenselijke effecten heeft (zoals hogere maatschappelijke kosten vanwege uithuisplaatsing) de verrekening aan te passen, dan wel bij de verrekening de beslagvrije voet volledig te respecteren. De gemeenteraad van de gemeente Weert heeft ervoor, met de vaststelling van de “Verordening recidive bestuurlijke boete gemeente Weert 2015”, gekozen om bij het innen van de recidiveboete, op verzoek van de belanghebbende, rekening te houden met de financiële en persoonlijke omstandigheden van de betrokkenen (maatwerk). Een belangrijke overweging hierbij is dat de betrokkenen bijvoorbeeld hun woonlasten kunnen blijven betalen, zeker als er sprake is van inwonende kinderen. 2.2 Versoepeling boeteregime Op 24 november 2014, 23 juni 2015 en 11 januari 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een aantal uitspraken gedaan over de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid. Het gevolg hiervan is dat vanaf deze uitspraakdata een nieuw boeteregime geldt, waarbij in alle gevallen de hoogte van de boete moet worden afgestemd op de verwijtbaarheid en de financiële omstandigheden van betrokkene. Aanpassing van de wet- en regelgeving is als gevolg van deze uitspraak noodzakelijk. De verwachting is dat de nieuwe wet- en regelgeving medio 2016 in werking gaat treden. Onze verordeningen en beleidsregels worden na inwerkingtreding van deze wet- en regelgeving hierop aangepast. Vooruitlopend op de aangepaste wet- en regelgeving heeft de gemeente Weert zich geconformeerd aan de uitspraak van het CRvB en hanteren bij boeteoplegging de 100%, 75%, 50% en 25% regel. Door toepassing van de %-regel wordt er bij de boeteoplegging meer rekening gehouden met de individuele omstandigheden van de betrokkene(n). Hierbij wordt er gekeken naar de gedraging van de overtreder. Deze gedraging is onderverdeeld in 4 maten van verwijtbaarheid met de eerder genoemde percentages. Overzicht mate van verwijtbaarheid en de maximale boetes Mate van verwijtbaarheid Kenmerken Maximale % van het benadelingsbedrag Maximale boete Opzet Willens en wetens 100% € 81.000,- Grove Schuld Grove onachtzaamheid 75% € 8.100,- Normale gemiddelde verwijtbaarheid Geen opzet, wel verwijtbaar. Kennelijke vergissing 50% € 8.100,- Verminderde verwijtbaarheid O.a. artikel 2a, lid 2 van het huidige Boetebesluit 25% € 8.100,- Matiging hoogte van de boete gebaseerd op de draagkracht en financiële omstandigheden: Daarnaast dient er voor de berekening van de op te leggen boete rekening gehouden te worden met de financiële omstandigheden en de daaruit voortvloeiende draagkracht van de belanghebbende. Het uitgangspunt is dat bij een fictieve draagkracht, gelijk aan de voor belanghebbende voor beslag vatbare ruimte berekend op basis van de beslagvrije voet, de boete binnen een redelijke termijn, maximaal 2 jaar, kan worden voldaan. De mate van verwijtbaarheid bepaalt de aflostermijn op basis waarvan de hoogte van de bestuurlijke boete moet worden vastgesteld[3]. Opzet: 24 maanden; Grove Schuld: 18 maanden; Normale verwijtbaarheid: 12 maanden; Verminderde verwijtbaarheid: 6 maanden Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het volledige bedrag van het inkomen boven de beslagvrije voet - ongeacht of die ruimte daadwerkelijk op andere wijze is beperkt of ingenomen - volledig beschikbaar is of wordt aangewend voor het betalen van de boete. Hetzelfde geldt voor eventueel aanwezig vermogen, met inbegrip van het vermogen beneden de vrijlatingsgrens. Minimum boete vervallen: De minimale boete is als gevolg van de uitspraak van de CRvB komen te vervallen. Dat betekent dat voor de hoogte van de boete altijd aangesloten wordt bij het benadelingsbedrag. Daarvoor geldt het dat de verwijtbaarheidsvaststelling hetzelfde is als voor alle andere boetes. Uitbreiding mogelijkheden tot opleggen van een waarschuwing: Vooruitlopend op de wetswijziging heeft de gemeente Weert besloten de mogelijkheden voor het opleggen van een waarschuwing al uit te breiden. Het gaat om een schending van de inlichtingenplicht die heeft geleid tot een gering bedrag aan nadeel (minder dan € 150). Dit geldt ook voor mensen die binnen een periode van 60 dagen zelf een wijziging in omstandigheden melden (terwijl men dit eerder had kunnen doen) zonder dat de schending van de inlichtingenplicht reeds zelf door de gemeente geconstateerd is. Dit gaat bijvoorbeeld op in een situatie dat inkomsten niet zijn opgegeven, maar pas naderhand worden doorgeven door de klant, terwijl de gemeente nog niet het signaal (van het Inlichtingenbureau of van derden) had ontvangen dat inkomsten niet waren doorgegeven. 2.3 Wet huisbezoeken Deze wet geeft gemeenten meer mogelijkheden om met een huisbezoek de leefsituatie te controleren. Een vermoeden van fraude vooraf is niet meer nodig. De gemeenten kan een klant vragen om aan te tonen dat hij alleenstaande (ouder) is, feitelijk verblijft op het aangegeven adres, of de kosten niet kan delen met een ander. De gemeente biedt daarbij aan dit te doen door middel van een huisbezoek. Weigeren van het huisbezoek kan leiden tot opschorting of verlaging van de uitkering. Indien een gegronde reden bestond voor het huisbezoek, kan de uitkering worden ingetrokken. De gemeente Weert heeft echter besloten in beginsel alléén een huisbezoek te verrichten als er sprake is van gegronde redenen[4] er aanleiding toe is of vanuit het oogpunt van dienstverlening. 2.4 Invoering Participatiewet Per 1 januari 2015 is - als onderdeel van de drie decentralisatieprocessen- de Participatiewet in werking getreden. Bij deze wet staat werken naar vermogen voorop. De doelstelling van de Participatiewet is om iedereen met arbeidsvermogen naar werk toe te leiden, bij voorkeur naar regulier werk. De doelgroep van de wet bestaat uit mensen met arbeidsvermogen die zijn aangewezen op, al dan niet tijdelijke, ondersteuning om in hun bestaan te voorzien en/of op ondersteuning om aan het werk te komen. Met de Participatiewet voert de regering het principe van één regeling consequent door voor iedereen die in staat is om te werken, ook de mensen met een arbeidsbeperking die daarvoor aangewezen zijn op ondersteuning. 2.4.1 Aanscherping WWB maatregelen De gevolgen van de overgang van Wet werk en bijstand naar Participatiewet voor ons handhavingsproces worden meegenomen in het op te stellen handhavingsbeleidsplan. Enkele van belang zijnde wijzigingen zijn: De tegenprestatie: Per 1 januari 2015 is het beleid rondom de tegenprestatie opgenomen in de “beleidsregel tegenprestatie gemeente weert 2015”. Met de tegenprestatie is het mogelijk aan bijstandsgerechtigden de verplichting op te leggen om naar vermogen bepaalde onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten te verrichten. Deze visie gaat uit van een motiverende aanpak, waarbij aan de belanghebbende zelf wordt gevraagd een tegenprestatie te zoeken. Wanneer een belanghebbende structureel weigert mee te werken aan het uitvoeren van een tegenprestatie, vindt sanctionering plaats. De kostendelersnorm: Om een opeenstapeling van uitkeringen binnen een huishouden tegen te gaan is de kostendelersnorm geïntroduceerd. In deze systematiek wordt, meer dan voorheen, rekening gehouden met de voordelen van het delen van de kosten binnen één huishouden. Dit betekent dat de hoogte van de uitkering afhankelijk is van het aantal mensen dat één huishouden vormt. Het risico bestaat dat klanten een verhuizing melden die feitelijk niet plaatsvindt. Het is van belang om goede samenwerkingsafspraken te maken met Publiekszaken (Basisregistratie Personen) op het punt van de uit te voeren controles. Een ander risico bestaat op het gebied van schijnhuur. Volledig zakelijke relaties zoals (onder)huur en kostgangerschap, blijven voor de kostendelersnorm buiten beschouwing. Het risico bestaat dat mensen het doen voorkomen dat sprake is van een commerciële relatie terwijl dat niet het geval is. De uniformering aanscherping maatregelen De Participatiewet hanteert een nadere concretisering van de arbeidsverplichting. Hoewel de regering stelt dat het geen verzwaring is, wordt vanuit de uitvoeringspraktijk en vanuit de klant het wel beschouwd als een aanscherping van de verplichtingen. Daarbij krijgt het college de verplichting om bij het schenden van deze verplichting te sanctioneren. De hoogte van de sanctionering in het kader van de uniforme arbeidsverplichting zal bij schending in ieder geval 100% zijn voor een periode van minimaal 1 tot maximaal 3 maanden. De afstemmingsverordening is hierop aangepast. Verlaging uitkering bij ernstige misdragingen van bijstandsgerechtigden In alle sociale zekerheidsregelingen is opgenomen dat zeer ernstige misdragingen tegen ambtenaren die deze regelingen uitvoeren niet worden getolereerd. Als een bijstandsgerechtigde dit soort ernstige misdragingen toch pleegt, heeft de gemeente de bevoegd- en verantwoordelijkheid om de uitkering tijdelijk te verlagen[5]. Daarnaast is een strafrechtelijke vervolging mogelijk. 2.5 Taaleis Per 1 januari 2016 is de wet Taaleis in werking getreden. Deze wet introduceert een taaleis in de bijstand. Uitkeringsgerechtigden moeten volgens deze wet voldoende Nederlands taalvaardig zijn, of anders zich inzetten om hun taalvaardigheid op niveau te brengen. Als iemand weigert zich hiervoor in te zetten, wordt de uitkering gekort of uiteindelijk zelfs beëindigd. Het beleid met betrekking tot de Taaleis is opgenomen in de beleidsregel “Taaleis gemeente Weert 2016”. [1] Een nieuw handhavingsprogramma SZW is nog niet beschikbaar [2] Zie 2.2 Versoepeling boeteregime [3] De boete wordt in beginsel afgerond op een veelvoud van € 10,- [4] Zie 4.1.3 [5] Zie artikel 13 Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Weert 2015.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel