19.1 Inleiding
Het gemeentebestuur heeft de taak om toe te zien op de naleving van wat
binnen de Wmo is geregeld. Het College van B&W moet daartoe
gemeentelijke toezichthouders aanwijzen (art. 6.1. lid 1 Wmo 2015). Het
wetsvoorstel laat de organisatie en uitvoering van het toezicht vrij. Binnen
de transitiefase had de IGZ nog een taak ten aanzien van het adviseren en
rapporteren aan de minister van VWS (art.6.2 lid 1 en 2 Wmo 2015). Dit
toezicht komt bovenop de traditionele rechtmatigheidscontrole door de
accountant en de monitoring ten behoeve van beleidsontwikkeling en/of
financiële verantwoording.
De reikwijdte van het gemeentelijk toezicht strekt zich uit tot in ieder
geval beleidsformulering op de volgende onderdelen:
De toekenningsprocedure voor maatwerkvoorzieningen;
De vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget;
De kwaliteitseisen die worden gesteld aan de in het kader van de Wmo
aan te bieden voorzieningen, waaronder de deskundigheid van de
beroepskrachten.
Er zijn binnen de kwaliteit van voorzieningen een aantal minimumeisen
geformuleerd (art. 3.1. lid 2 Wmo 2015). Onder leiding van de VNG is eind
2014 een landelijk model basisset kwaliteitseisen Wmo-ondersteuning voor
zeer kwetsbare cliënten opgesteld. Hiernaast hanteert de gemeente Leeuwarden
een eigen kwaliteitskader “Kwaliteitskader Sociaal Domein”, dat in september
2016 is vastgesteld. In 2017 is er een uitvoeringsplan kwaliteit.
De systematiek van open normen binnen kwaliteit brengt met zich mee dat de
gemeente in samenspraak met aanbieders zal moeten formuleren in hoeverre het
beoogde resultaat, in samenhang met andere vormen van zorg en hulp, wordt
bereikt in de individuele relatie met de cliënt. Leeuwarden hanteert deze
systematiek in de inkoop voor 2016 binnen het sociale domein door binnen het
programma van eisen ten aanzien van onder andere opleidingsniveau van de
zorgverleners, de functieomschrijving, het gebruik van
kwaliteitsmanagementsystemen en inspraak- en klachtregelingen te stellen. De
zelfredzaamheidsmatrix en op cliëntenniveau geformuleerde doelen binnen het
door de sociaal werker op de stellen ondersteuningsplan zijn voorbeelden van
de concretisering. Tevens is er veel aandacht voor klantervaring en
klantbeleving.
19.2 Toezicht en handhaving
De organisatie en uitvoering van het Wmo toezicht
Het ministerie van VWS is gestart met het werkprogramma ‘Rechtmatige zorg,
aanpak en fraude 2015-2016. Het programmaplan richt zich op het verder
voorkomen en aanpakken van onrechtmatigheden in de zorg die ten laste komen
van voor de zorg bestemde middelen. Het gaat hierbij om preventie en
bestrijding van zowel fouten als fraude.
Het programmaplan richt zich hiernaast op een gezamenlijke aanpak door de
gehele keten, waarbij een ieder vanuit de eigen rol en verantwoordelijkheid
hieraan bijdraagt. Voor de gemeente betekent dit dat de gemeente invulling
moet gaan geven aan de eigen rol met betrekking tot preventie, controle en
handhaving om fouten te voorkomen dan wel om fraudeurs aan te pakken. Het
onderscheid tussen fouten en fraude zit in het onbewust of opzettelijk
regels overtreden. Bij fouten worden regels als gevolg van onduidelijkheid
of vergissingen onbedoeld overtreden. Bij fraude gaat het om opzettelijk en
doelbewust in strijd met de regels handelen met het ook op eigen of
andermans (financieel) gewin.
Vanuit de opbrengst van het eerste congres rechtmatige zorg in Den Haag, is
bepaald dat gemeenten zich zullen gaan toerusten op het voeren van
preventief beleid in het kader van pgb-verstrekkingen én het leveren van
input aan een informatiecentrum / expertteam van de VNG. Het expertteam zal
vanuit deze input handreikingen opstellen die bepalend zullen zijn voor de
wijze waarop Leeuwarden om gaat met toezichthouding binnen de Wmo en Jeugd.
Op 29 oktober 2015 is de eerste voortgangsrapportage Rechtmatige zorg
opgeleverd.
Leeuwarder toezicht Wmo 2017
Leeuwarden kiest voor een onderscheid in de organisatie van de taken van een
toezichthoudende ambtenaar. Dit onderscheid bestaat uit een splitsing tussen
taken in relatie tot de cliënt én tot de zorgaanbieder. De organisatie van
taken zijn bij verschillende organisatieonderdelen belegd:
Cliënt: toezicht op oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen en
het persoonsgebonden budget. Deze taak is belegd bij de het team
Handhaving van de sector Sociale Zaken. Qua proces zal, voor zover
mogelijk, gelijk ingestoken worden met de handhaving zoals die
uitgevoerd wordt voor Sociale Zaken. Dit binnen de grenzen van de
Algemene wet Bestuursrecht, de Wmo en de Jeugdwet;
Zorgaanbieder: vaststellen of afspraken contractueel worden
nageleefd en controle op kwaliteit in de breedste zin van het woord
(professional, aanbieder en bestuurlijk). Binnen bedrijfsvoering is
een functionaris benoemd en verantwoordelijk gemaakt voor
kwaliteitsmanagement en toezichthouding. Deze persoon dient én
uitvoering te geven aan de taken zoals deze voortvloeien uit de
toezichthoudende functie als ook het ontvangen en doorspelen van
kwaliteit gerelateerde signalen, inzetten van reviews,
klantervaringsonderzoeken, visitaties, ketendoorlichting etc. Dit om
zo goed mogelijk bij te kunnen dragen aan beleidsevaluatie.
Hiernaast ziet deze functionaris toe op de kwaliteit van de geboden
ondersteuning. Dit is een continue kwaliteitstoetsing, anders dan de
cliënttevredenheid die periodiek wordt onderzocht.
19.3 Fraude en oneigenlijk gebruik
In de wet worden gemeenten de mogelijkheid geboden om fraude te bestrijden,
door middelvan het expliciet benoemen van de mogelijkheden tot herzien,
intrekken en terugvorderen.
Het verhalen van kosten is mogelijk in de situatie dat:
de cliënt opzettelijk onvolledige en/of onjuiste gegevens heeft
verstrekt;
de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het
persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden voldoet ;
de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet
of voor een ander doel gebruikt.
Het college gaat in principe altijd van de cliënt en van degene die aan
fraude zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de
geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het
ten onrechte genoten persoonsgebonden budget. Het moet hier gaan om
situaties waarin door een cliënt, zijn vertegenwoordiger (in rechte) of een
aanbieder, opzettelijk onjuiste informatie is verstrekt op basis waarvan een
onjuiste beslissing tot toekenning van een maatwerkvoorziening of een
persoonsgebonden budget is genomen.
Bij (eerder) geconstateerde fraude zal, bij gegronde redenen voor toekomstig
misbruik, ook toekomstige weigering van een persoonsgebonden budget door de
gemeente plaatsvinden.
Binnen het bestrijden van misbruik en fraude zal toezicht in deze kern de
volgende taken omvatten:
het verzamelen van informatie;
het beoordelen van een individuele situatie;
het interveniëren;
het afleggen van werkbezoeken aan cliënten;
het bestuderen van het dossier;
het bestuderen van de afspraken die de gemeente (in het kader van de
aanbesteding) heeft gemaakt met de zorgaanbieder;
contacten hebben met de zorgaanbieder om de afspraken en gang van
zaken te verifiëren (hoor en wederhoor).
Uit oogpunt van objectiviteit en professionaliteit zullen de hiervoor
genoemde taken worden gescheiden van taken (die zich meer lenen) voor het
ontwikkelen van het Wmo-beleid, de inkoop en de toekenning van
voorzieningen. De toezichthouder moet zijn werk, weliswaar onder
uiteindelijke verantwoordelijkheid van het college, onbevangen kunnen
doen.
Binnen de Wmo zal worden aangesloten bij het beleidsconcept Hoogwaardig
handhaven dat ook wordt toegepast bij het toezicht in het kader van de
Participatiewet.
Strafrechtelijk onderzoek is binnen de Wmo 2015 (nog) niet mogelijk.
Hiervoor bestaat geen wettelijke grondslag.
19.4 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en
terugvordering
Het college zal bij geconstateerde fraude op basis van het verstrekken van
onjuiste informatie door de cliënt of zijn vertegenwoordiger (in rechte),
een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden
budget geheel ofedeeltelijk intrekken, met de volgende consequenties tot
gevolg:
a.het persoonsgebonden budget of de kostprijs van de maatwerkvoorziening
geheel of gedeeltelijkterugvorderen;
b.de cliënt verplichten de maatwerkvoorziening in te leveren; en
de cliënt de mogelijkheid te bieden om zijn met het persoonsgebonden budget
aangeschafte voorziening in te leveren.
Afzien van terugvordering
Er kunnen in individuele situaties dringende redenen zijn op grond waarvan
van een terugvorderingsbesluit kan worden afgezien. Die dringende redenen
kunnen alleen betrekking hebben op de gevolgen van de terugvordering voor
een cliënt en het gezin of op de hoogte van het bedrag. Het moet in het
eerste geval gaan om een zodanige bijzondere situatie dat terugvordering
leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de cliënt.
Lichamelijke en psychische klachten die al enige tijd bestaan en dus niet in
het bijzonder het gevolg zijn van het terugvorderingsbesluit worden niet
aangemerkt als dringende redenen, evenmin de hoogte van de vordering.
Omdat het college altijd bevoegd is om het terugvorderingsbeleid vast te
stellen, wordt bepaald dat het college uit doelmatigheidsoverwegingen ook
afziet van terugvordering wanneer het terug te vorderen bedrag minder
bedraagt dan € 25, - . Dit omdat in dat geval de uitvoeringskosten hoger
zijn dan het terug te vorderen bedrag.
Wanneer op grond van dringende redenen wordt afgezien van een
terugvorderingsbesluit zal dit in een besluit, geen terugvorderingsbesluit,
aan de cliënt kenbaar worden gemaakt. Ook als op grond van het kruimelbedrag
wordt afgezien van een terugvorderingsbesluit, wordt de cliënt hier van in
kennis gesteld.
Invordering
De wijze van invorderen van teruggevorderde bedragen vindt plaats op basis
van de vierde tranche van de Awb: bestuursrechtelijke geldschulden.
Het aflossingsbedrag zoals medegedeeld in het terug- of
betalingsbesluit geldt als een opgelegde betalingsverplichting.
De termijn waarbinnen betaling moet plaatsvinden bedraagt op grond
van art. 4:87 van de AwbB zes weken.
Indien het inkomen daartoe aanleiding geeft wordt de
betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld.
Voor zover de schuldenaar beschikt over activa, die nauw samenhangen
met de ontstaansgrond van de vordering, wordt teruggevorderd ten
laste van deze activa.
Elk voorstel van de cliënt waarbij het totaal bedrag van de nieuwe
vorderingen in beginsel binnen een termijn van 36 maanden betaald
wordt, wordt geaccepteerd.
Deze regel wordt alleen toegepast in de situatie dat er geen andere
gemeentelijke aflossing plaatsvindt op een andersoortige vordering
Participatiewet of Jeugdwet). Aflossing op vorderingen die ontstaan
zijn door uitkeringsfraude binnen de Participatiewet zijn preferent.
Dit geldt _alleen_ voor de situatie dat de volledig
betalingscapaciteit aan wordt gesproken voor deze
uitkeringsvordering. Het aflossen op een vordering ontstaan vanuit
de Wmo wordt voor deze duur bevroren.
Vervolgens wordt zoveel mogelijk ineens teruggevorderd ten laste van
het vermogen, waaronder wordt verstaan alle aan de cliënt in
eigendom toebehorende roerende en onroerende zaken en
vermogensrechten, voor zover deze na aftrek van alle schulden,
uitgezonderd de gemeentelijke vorderingen, een bedrag van € 1.500,-
te boven gaan.
De betalingscapaciteit in het toepasselijke inkomen is gelijk aan
het gedeelte van het inkomen dat de beslagvrije voet (als basis
daarvoor geldt: 90 % van de toepasselijke bijstandsnorm met
eventuele gemeentelijke toeslag (inclusief vakantietoeslag)
overschrijdt.
Indien en voor zover geïndiceerd wordt de beslagvrije voet conform
artikel 475d, vijfde lid Rv verhoogd.
Zodra de cliënt aan zijn betalingsverplichting ten aanzien van de
terugvordering heeft
voldaan, meldt het college dit bij het CAK, zodat deze de grondslag van de
verschuldigde
eigen bijdrage kan corrigeren. De betaalcapaciteit voor de eigen
bijdrage zal namelijk tijdens de aflossing van een vordering
geringer zijn.
Bij de vaststelling van de betalingscapaciteit in het inkomen wordt
rekening gehouden met de bijzondere, financiële en persoonlijke
omstandigheden van de cliënt.
Strafrechtelijk onderzoek
In samenwerking met de Sociale Recherche Fryslan (SRF) zullen werkafspraken
gemaakt worden om zo ook de aansluiting met Justitie te creëren. De
landelijke aangiftegrenzen zijn bepalend voor de inzet van óf team
handhaving of SRF.
19.5 Klachtenregeling
De behandeling van klachten in het kader van de WMO is hetzelfde als in
2016. Dit betekent dat cliënten met klachten over de WMO-instellingen
allereerst contact opnemen met de WMO instelling zelf. WMO-instellingen zijn
namelijk wettelijk verplicht een klachtenregeling voor cliënten te
implementeren. Mocht dit niet tot een oplossing leiden, dan kan de cliënt
zich wenden tot de gemeente. De gemeentelijke klachtenbemiddelaar zal dan
proberen een oplossing te vinden. Direct na ontvangst van de klacht wordt er
telefonisch contact opgenomen. Soms wordt ook een bemiddelingsgesprek
gevoerd. Binnenkomende signalen aan het adres van de klachtenbemiddelaar
kunnen ook aan het sociaal wijkteam overgedragen worden voor maximaal
leereffect en afwikkeling. Algemene klachten over het WMO-beleid of de
beleidsuitvoering van de gemeente kunnen niet door de klachtenbemiddelaar
opgelost worden. Deze signalen worden wel doorgegeven aan de
beleidsafdeling.
19.6 Vertrouwenspersoon
In de Wmo 2015 is vastgesteld dat klachtensysteem en afhandeling (en
cliëntondersteuning) geborgd dienen te worden. In de huidige situatie kent
de gemeente binnen de Wmo een klachtenfunctionaris. Ook voor 2016 blijft
deze klachtenfunctionaris behouden. Voor zowel jeugd als voor Wmo is er een
vertrouwenspersoon via Zorgbelang Fryslân georganiseerd.
19.7 Inspraak en medezeggenschap bij aanbieders
De medezeggenschap van cliënten is geregeld in de Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015. De gemeente verplicht aanbieders contractueel de
medezeggenschap van cliënten te regelen. Hiernaast vindt de gemeente
Leeuwarden het van belang dat de zorginzet alleen tot stand komt met
inspraak van de cliënt.
19.8 Privacy en gegevensverwerking
In de samenwerking tussen de werkers van de sociale wijkteams, de gemeente
Leeuwarden en professionals van andere organisaties is het van belang om de
privacy van cliënten goed te borgen. Een goede samenwerking vanuit het
principe ‘één huishouden, één plan, één aanpak’ is alleen mogelijk als er op
efficiënte en correcte wijze informatie met elkaar wordt gedeeld.
De gemeente Leeuwarden heeft eind 2015 samen met de coöperatie Amaryllis een
privacy en triage kader ontwikkeld om ervoor te zorgen dat de privacy van de
cliënt bij een integrale werkwijze goed geborgd is. Dit is op 23 juni 2015
door het college vastgesteld (B&W 402152) en daarmee van toepassing
verklaard.
19.9 Meldingen/calamiteiten/escalatie
Binnen en rondom huishoudens kunnen problemen ontstaan die zodanig escaleren
dat er specifieke expertise nodig is of zelfs specifiek ingrijpen
noodzakelijk is. Een gezin met problemen krijgt soms hulp van (meerdere)
professionals. Wanneer de problematiek complexer wordt en meerdere domeinen
omvat, kan het zijn dat de uitdaging meer in het samenwerken zit, dan in het
oorspronkelijke probleem van het gezin of de bewoner. Goede samenwerking is
cruciaal. Het moet helder zijn wie de regie heeft wanneer problemen groter
worden en wanneer opschalen of juist afschalen nodig is. Het op- en
afschalen van zorg en ondersteuning behoort tot de taken van de sociaal
werker in samenwerking met de expertpool en de ketenpartners. Ten behoeve
van situaties die dreigen te escaleren werkt de gemeente Leeuwarden met de
Aanpak ter Voorkoming van Escalatie (AVE). Deze aanpak beschrijft onder meer
per fase wie operationeel en bestuurlijk verantwoordelijk zijn. De aanpak
ter voorkoming van escalatie ordent bestaande systemen en routes tot een
totaalaanpak. Een van die bestaande systemen is de meldcode huiselijk geweld
en kindermishandeling. Criteria voor escalatie zijn onder andere:
Onoplosbare visie verschillen over de aanpak.
De verantwoordelijkheid is niet goed belegd.
De regie wordt niet geaccepteerd (binnen de samenwerking of door het
huishouden).
Er is sprake van ernstig mijdend gedrag bij leden van het
huishouden.
De samenwerking stagneert ernstig.
De kwaliteit van bepaalde samenwerkingspartijen is onvoldoende.
De AVE aanpak bestaat uit vier fases.
De eerste fase (AVE1) richt zich op preventie en het zo vroeg mogelijk
signaleren van eventuele risico’s. Professionals zoals hulpverleners en de
wijkagent zijn verantwoordelijk voor de professionele signalering en
preventie. Maar ook burgers kunnen signalen opvangen en op de juiste plek
neerleggen.
De tweede fase (AVE2) richt zich op enkelvoudige problematiek in een
huishouden die wordt opgepakt door het wijkteam, de huisarts of politie. Ook
kan er al meervoudige problematiek aanwezig zijn, waardoor er eveneens
gespecialiseerde deskundigen nodig zijn. De casusregie ligt bij AVE2 bij
iemand uit het wijkteam.
De derde fase (AVE3) richt zich op complexe problemen op meerdere
leefgebieden en de veiligheid van de betreffende persoon of omgeving is in
gevaar. Het eigen werkterrein van betrokken professionals wordt overstegen.
Hier wordt de processen en de procedures van het Veiligheidshuis gevolgd.
Het Veiligheidshuis bepaalt wie de casusregie en de contacten met het gezin
heeft.
De vierde fase (AVE4) richt zich op problemen die zo complex of groot zijn,
dat de situatie totaal escaleert. Er is sprake van maatschappelijke onrust
en de veiligheid van meerdere mensen zijn in gevaar. Het kan voorkomen dat
situaties direct in AVE4 terechtkomen en niet eerder in beeld zijn geweest.
De regie ligt bij AVE4 bij de burgemeester. Onder andere het protocol
(dreiging) van maatschappelijke onrust wordt gestart.