Naar hoofdinhoud
1.. 1.Indien het de beoordeling van de directeur betreft, geschiedt de beoordeling door de wethouder van Onderwijs. 3.. Indien het de beoordeling van de plaatsvervangend bovenschools directeur betreft, geschiedt de beoordeling door de directeur van de federatie. 4.. De locatieleiders van de diverse scholen worden beoordeeld door de directeur van de federatie. 5.. De overige personeelsleden worden beoordeeld door de locatieleiders. 6.. Ten aanzien van beoordeling bepaalt het bevoegd gezag of en bij wie inlichtingen worden ingewonnen over het functioneren van het personeelslid. 7.. Bij het opmaken van de beoordeling kan een externe of interne deskundige worden betrokken. 8.. In het geval bedoeld in artikel 7, lid 1, treedt de directeur van de federatie op als de door het bevoegd gezag aangewezen functionaris niet zijnde de formele beoordelaar. 9.. In het geval er sprake is van verschil van mening over de beoordeling van directieleden of locatieleiders wijst het bevoegd gezag een functionaris niet zijnde de formele beoordelaar aan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel