Voor zover nodig in afwijking van het gestelde in artikel 7:3 en onverminderd het bepaalde in artikel 3:3:1:4, eindigt de doorbetaling tijdens ziekte van de in artikel 3:3:1:1 of 3:3:1:2 bedoelde toelage op de datum, waarop een door het college aangewezen geneeskundige heeft vastgesteld, dat de ambtenaar de in die artikelen aangeduide diensten niet meer zal kunnen verrichten, doch uiterlijk op de dag, liggende een jaar na de datum, waarop de ambtenaar die diensten wegens ziekte heeft beëindigd.