De ambtenaar die krachtens een vastgesteld rooster:
diensten verricht op andere tijden dan van maandag tot en met vrijdag tussen 08.00 en 18.00 uur, of
zich beschikbaar houdt voor diensten buiten de voor hem geldende werktijden; en deswege gedurende ten minste twee achtereenvolgende jaren een toelage heeft genoten ter grootte van ten minste twee procent van het over die twee jaar genoten salaris en wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van vorenbedoelde toelage een blijvende verlaging ondergaat, welke ten minste twee procent bedraagt van de som van het salaris en de toelagen als bedoeld in de artikelen 3:7:8, 3:1:1:12, 3:1:1:13, 3:3:1:1 en 3:3:1:2, zonder directe aanspraak op pensioen of wachtgeld, ontvangt deswege een overgangstoelage.
In afwijking van het gestelde in het eerste lid, wordt de ambtenaar, die ten minste tien jaren, direct voorafgaande aan het tijdstip van de in het eerste lid bedoelde beëindiging of vermindering ervan, in het genot is geweest van een wachtdiensttoelage of een toelage wegens onregelmatige diensten en die op of voor dit tijdstip de 55 jarige leeftijd bereikt of heeft bereikt, tot aan de datum van ontslag een vervangende toelage toegekend. Deze toelage bedraagt 100 procent van de berekeningsbasis als bedoeld in artikel 3:3:1:5.