Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Beleidsregels

Onderdeel van Beleidsregels artikel 2.12 Wabo

4.1 Inleidende bepalingen 4.1.1 Begrippen Bebouwde kom De op de kaarten als zodanig aangegeven gebieden in de bijlage van deze beleidsregels. Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Besluit omgevingsrecht (Bor) en Bijlage II van het Bor. 4.1.2 Wijze van meten Bij de toepassing van deze beleidsregels worden de bepalingen van het desbetreffende bestemmingsplan omtrent ‘de wijze van meten’ toegepast. 4.2 Algemene bepalingen 4.2.1 Algemene toetsingscriteria a. Bij de toepassing van 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wabo jo artikel 2.7 van het Bor jo artikel 4 van het Bor en deze beleidsregels zijn alle overige bepalingen van de Wabo en het Bor, zoals die gelden op het moment dat op de aanvraag wordt beslist onverkort van kracht. b. Bij de toepassing van deze beleidsregels wordt getoetst aan: - het relevante rijks- en provinciaal beleid en - gemeentelijke relevante (sectorale) beleidsvelden, zoals welstand-, milieu en volkshuisvesting. c. Een afwijking ingevolge deze beleidsregels kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: - de woonsituatie; - de verkeersveiligheid (o.a. een onevenredige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer of een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte), waarbij voor de parkeernormen en – berekeningen gebruik wordt gemaakt van het ten tijden van de aanvraag geldende 'Beleidsregels parkeernormen Bronckhorst'; - de sociale veiligheid; - de milieusituatie; - de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; - het straat- en bebouwingsbeeld c.q. de stedenbouwkundige samenhang. Van een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige samenhang is sprake als de bebouwingskarakteristiek en/of de karakteristiek van de openbare ruimte wordt aangetast; - cultuurhistorische waarden, waaronder begrepen gebouwen en landschappelijke monumenten, archeologische waarden en archeologische verwachtingswaarden; - natuurwaarden; - het landschap. d. De economische uitvoerbaarheid voldoende is gewaarborgd. 4.2.2 Motivering en onderbouwing Een aanvraag dient te zijn voor zien van een motivering waaruit blijkt met welk doel de aanvraag wordt gedaan en welke gevolgen dit heeft voor de omgeving. Door aanvrager dient daarbij in voorkomende situaties tevens inzichtelijk te zijn gemaakt wat de gevolgen zijn van het beoogde planologisch strijdig gebruik voor de ruimtelijke ordening. Hiertoe dient aanvrager een ruimtelijke onderbouwing in waarin dit is verantwoord. Daarbij wordt ten minste rekening gehouden met en ingegaan op de algemene en specifieke bepalingen van deze beleidsregels. De aard en omvang van de aangevraagde activiteit zijn mede bepalend voor de inhoud en noodzaak van de ruimtelijke onderbouwing. Dit is ter beoordeling van de gemeente. 4.2.3 Planschade In verband met het bepaalde in 4.2.1 onder d wordt door de gemeente per aanvraag de afweging gemaakt of wordt overgegaan tot het sluiten van een planschade overeenkomst. 4.3 Specifieke bepalingen 4.3.1 Bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan Voor toepassing van 2.12, eerste lid ,onder a, onder 2° van de Wabo jo artikel 2.7 van het Bor jo artikel 4, onder 1 in bijlage II van het Bor komt in aanmerking: a. De uitbreiding van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, op een perceel zonder woonbestemming, waarbij gelet op een goede ruimtelijke ordening en de algemene bepalingen van deze beleidsregels per individueel geval een afweging gemaakt wordt of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. b. De uitbreiding van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan bij een (bedrijfs)woning buiten de bebouwde kom, met dien verstande dat: - de totale inhoud van de woning niet meer zal bedragen dan 750m³ en; - de totale oppervlakte van bijgebouwen niet meer zal bedragen dan 100m². c. De uitbreiding van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarische bedrijf waarbij gelet op een goede ruimtelijke ordening en de algemene bepalingen van deze beleidsregels per individueel geval een afweging gemaakt wordt of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. 4.3.2 Een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening Voor toepassing van 2.12, eerste lid ,onder a, onder 2° van de Wabo jo artikel 2.7 van het Bor jo artikel 4, onder 2 in bijlage II van het Bor komt in aanmerking: a. Een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening, waarbij gelet op een goede ruimtelijke ordening en de algemene bepalingen van deze beleidsregels per individueel geval een afweging gemaakt wordt of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. 4.3.3 Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk Voor toepassing van 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wabo jo artikel 2.7 van het Bor jo artikel 4, onder 3 in bijlage II van het Bor komt in aanmerking: a. een erf- en terreinafscheiding in het achter- en zijerfgebied binnen de bebouwde kom tot een hoogte van 2 m¹ b. op een perceel zonder woonbestemming, een vlaggenmast met een hoogte van maximaal 6 m¹ met een maximum van 5 per bouwperceel c. op een perceel zonder woonbestemming, een reclamezuil, met dien verstande dat deze: - functioneel is verbonden aan de op hetzelfde bouwperceel gevestigde bedrijf of bedrijven en - niet hoger is dan 4 m¹ en - per bouwperceel 1 reclamezuil is toegestaan d. niet eerder genoemde bouwwerken, geen gebouw zijnde of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, waarbij gelet op een goede ruimtelijke ordening en de algemene bepalingen van deze beleidsregels per individueel geval een afweging gemaakt wordt of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. 4.3.4 Een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, dan wel een uitbreiding met een bouwdeel van ondergeschikte aard Voor toepassing van 2.12, eerste lid ,onder a, onder 2° van de Wabo jo artikel 2.7 van het Bor jo artikel 4, onder 4 in bijlage II van het Bor komt in aanmerking: a. een dakkapel op een woning buiten de bebouwde kom met een inhoudsmaat van maximaal 7m³ b. een dakopbouw op of gelijksoortige uitbreiding van een woning met dien verstande dat deze - maximaal één bouwlaag heeft, bovenop de oorspronkelijke bouwlaag en - niet hoger is dan 3m¹, gemeten vanaf de oorspronkelijke bouwhoogte en - maximaal 1,5 m¹ achter de oorspronkelijke buitengevels wordt gebouwd en - voor zover gelegen buiten de bebouwde kom en het een woning betreft de inhoudsmaat van 750m³ niet wordt overschreden. c. een uitbreiding met een bouwdeel van ondergeschikte aard, waarbij gelet op een goede ruimtelijke ordening en de algemene bepalingen van deze beleidsregels per individueel geval een afweging gemaakt wordt of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. 4.3.5 Een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40m¹ Voor toepassing van 2.12, eerste lid ,onder a, onder 2° van de Wabo jo artikel 2.7 van het Bor jo artikel 4, onder 5 in bijlage II van het Bor komt in aanmerking: a. een antenne-installatie ten behoeve van GSM, UMTS en LTE antennes en overige commerciële communicatienetwerken, alsmede particuliere antenne-installaties, met dien verstande dat: - aanvrager – ter voldoening aan het uitgangspunt dat het aantal masten, ter beperking van negatieve ruimtelijke- en landschappelijke effecten, tot een minimum beperkt blijft – afdoende met een schriftelijke rapportage aantoont en onderbouwd dàt en waaròm de plaatsing van de gewenste antenne(s)/apparatuur niet mogelijk is op achtereenvolgens een bestaande (andere) antennedrager, een bestaand gebouw of ander bouwwerk en een bestaande infrastructurele voorziening in de omgeving en, - de afstand tussen de nieuwe antenne-installatie (drager) en een woning in de omgeving tenminste 100 meter bedraagt, tenzij de eigenaar en bewoner(s) van de woning(en) binnen deze afstand kenbaar heeft/hebben gemaakt, dat hij/zij geen bezwaar heeft/hebben tegen de aanwezigheid van de nieuwe antennedrager op kortere afstand en, - aanvrager zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met medegebruik van de antennedrager door andere exploitanten van commerciële communicatienetwerken (site-sharing) en - de hoogte van de antennedrager is afgestemd op voornoemd medegebruik en, - de negatieve ruimtelijke- en landschappelijke effecten van de antenne-installatie (drager) zoveel mogelijk wordt beperkt door plaatsing op een locatie met overwegend afschermende opgaande beplanting, bij voorkeur centraal in een groot/groter bosgebied. Indien dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders aantoonbaar niet mogelijk, redelijk of wenselijk is, de installatie wordt geplaatst bij bestaande infrastructurele voorzieningen en bouwwerken en, - dat bij plaatsing in een bos en de aanleg van een toegangsweg bestaande houtopstanden zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Verzoeker heeft zich bereid verklaard tot het, overeenkomstig nadere eisen van burgemeester en wethouders, voor zijn rekening compenseren van eventueel noodzakelijk te kappen houtopstanden. 4.3.6 Een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling Voor toepassing van 2.12, eerste lid ,onder a, onder 2° van de Wabo jo artikel 2.7 van het Bor jo artikel 4, onder 6 in bijlage II van het Bor komt in aanmerking: a. Een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekoppeling, waarbij gelet op een goede ruimtelijke ordening en de algemene bepalingen van deze beleidsregels per individueel geval een afweging gemaakt wordt of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. 4.3.7 Installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd Voor toepassing van 2.12, eerste lid ,onder a, onder 2° van de Wabo jo artikel 2.7 van het Bor jo artikel 4, onder 7 in bijlage II van het Bor komt in aanmerking: a. Een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd, met dien verstande dat: - deze wordt geplaatst bij een volwaardig agrarische bedrijf en - deze op eigen erf en binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd en - deze wordt gebruikt ten behoeve van het eigen en ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf waarbij de mest be- en verwerking geen zelfstandige bedrijfsactiviteit is en - de capaciteit van de installatie niet groter is dan 36.000 ton per jaar - een installatie een goot- en bouwhoogte heeft die niet meer bedraagt dan het geldende bestemmingsplan ter plaatse toestaat. 4.3.8 Gebruiken van gronden voor niet-ingrijpende herinrichting van het openbare gebied Voor toepassing van 2.12, eerste lid ,onder a, onder 2° van de Wabo jo artikel 2.7 van het Bor jo artikel 4, onder 8 in bijlage II van het Bor komt in aanmerking: a. het gebruiken van gronden voor niet-ingrijpende herinrichting van het openbare gebied, waarbij gelet op een goede ruimtelijke ordening en de algemene bepalingen van deze beleidsregels per individueel geval een afweging gemaakt wordt of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. 4.3.9 Wijzigen van het gebruik van bouwwerken en daarbij behorende aansluitende terrein Voor toepassing van 2.12, eerste lid ,onder a, onder 2° van de Wabo jo artikel 2.7 van het Bor jo artikel 4, onder 9 in bijlage II van het Bor komt in aanmerking: a. een gebruikswijziging van bouwwerken en daarbij behorende aansluitend terrein binnen de bebouwde kom voor zover daarvoor in het geldende bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid ex. 3.6, lid 1 Wro is opgenomen met dien verstande dat: - voldaan wordt aan de in het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden en - waarbij gelet op een goede ruimtelijke ordening en de algemene toetscriteria van deze beleidsregels per individueel geval een afweging gemaakt wordt of afwijking van het bestemmingsplan in voorkomend geval wenselijk en aanvaardbaar is. b. een gebruikswijziging van bouwwerken en daarbij behorende aansluitend terrein binnen de bebouwde kom, anders dan niet-woonactiviteiten in een woonbestemming, kleinschalige horeca-activiteiten bij detailhandelsbestemmingen en/of internetverkoop en detailhandel buiten detailhandelsbestemmingen, waarbij gelet op een goede ruimtelijke ordening en de algemene toetscriteria van deze beleidsregels per individueel geval een afweging gemaakt wordt of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. c. een gebruikswijziging van bouwwerken en daarbij behorende aansluitend terrein voor logiesfuncties voor werknemers of de opvang van asielzoeker of andere categorieën vreemdelingen buiten de bebouwde kom, waarbij gelet op een goede ruimtelijke ordening en de algemene toetscriteria van deze beleidsregels per individueel geval een afweging gemaakt wordt of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. 4.3.10 Het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning Voor toepassing van 2.12, eerste lid ,onder a, onder 2° van de Wabo jo artikel 2.7 van het Bor jo artikel 4, onder 10 in bijlage II van het Bor komt in aanmerking: a. het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, met dien verstande dat - de vergunning op naam wordt verstrekt aan de bewoner(s) (hoofdbewoner) en diens op 31 oktober 2003 inwonende meerderjarige huisgenoten, waarbij op het moment van verstrekking van de beschikking inwonende kinderen niet apart op de vergunning worden vermeld; - personen die na 31 oktober 2003 zijn komen inwonen bij de hoofdbewoner niet onder de vergunning kunnen vallen. Dit geldt ook voor eventuele kinderen ouder dan 18 jaar die na 31 oktober 2003 (opnieuw) zijn komen inwonen bij de hoofdbewoner; - personen met een vergunning moeten zijn ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP) van de gemeente en indien men zich uitschrijft komt de vergunning te vervallen. Het opnieuw inschrijven in de BRP geeft geen recht op een (hernieuwde) vergunning; - een omgevingsvergunning niet wordt verleend aan onrechtmatige bewoning die voor of op 31 oktober 2003 is gewraakt, maar waarvan de daadwerkelijke handhaving nog niet is aangevangen en onrechtmatige bewoning waar de handhaving ervan reeds is aangevangen. 4.3.11 Ander gebruik van gronden of bouwwerken voor een termijn van ten hoogste 10 jaar Voor toepassing van 2.12, eerste lid ,onder a, onder 2° van de Wabo jo artikel 2.7 van het Bor jo artikel 4, onder 11 in bijlage II van het Bor komt in aanmerking: a. het tijdelijk bewonen, respectievelijk het tijdelijk plaatsen, bouwen of verbouwen van een niet voor bewoning bestemd gebouw op de locatie waar een woning wordt gebouwd of verbouwd al dan niet omdat de bestaande woning door verbouwing, brand of natuurramp tijdelijk ongeschikt is voor bewoning, met dien verstande dat: - de omgevingsvergunning wordt afgegeven voor de duur van maximaal 2 jaar; - de omgevingsvergunning op naam wordt verstrekt aan de bewoner(s) (hoofdbewoner) en diens inwonende meerderjarige huisgenoten. Eventuele op het moment van verstrekking van de beschikking inwonende kinderen worden niet apart op de vergunning vermeld. - de aanvrager(s) ingezetene is van de gemeente Bronckhorst, dan wel na verhuizing ingezetene van de gemeente Bronckhorst wordt; - de aanvrager (s) zich op het tijdelijke adres in te laten schrijven in de Basisregistratie personen (BRP); - het plaatsen of bouwen van een tijdelijk woonverblijf, zoals een woonunit, stacaravan, e.d., dan wel het verbouwen tot tijdelijke woonruimte van een bestaand gebouw geschiedt op het bouwperceel waar de in aanbouw zijnde, de in verbouw zijnde of getroffen woning aanwezig is; - het plaatsen, bouwen of verbouwen en bewonen van een tijdelijk woonverblijf is slechts toegestaan voor aanvrager(s) die reeds vóór de verbouw, brand of natuurramp in de op het perceel aanwezige woning woonden óf door betrokkenen die na de verbouw in de woning zullen gaan wonen; - het plaatsen, bouwen of verbouwen en bewonen van een tijdelijk woonverblijf, vindt slechts plaats gedurende de nieuwbouw of verbouw; - in geval van verbouwing of herbouw (anders dan vanwege een calamiteit) dient voorafgaand aan het verlenen van omgevingsvergunning voor het plaatsen, bouwen of verbouwen van het tijdelijke woonverblijf zal, aan de hand van een ingediende omgevingsvergunning duidelijkheid moeten bestaan over het kunnen verlenen van vergunning voor nieuwbouw of verbouw van de op het perceel bestaande woning; - het verwijderen, dan wel het ontmantelen van het tijdelijke woonverblijf is uiterlijk één maand na voltooiing van de nieuwbouw of verbouw van de woning dan wel de in de omgevingsvergunning gestelde termijn afgerond. b. het tijdelijke bewonen van een recreatieobject door (het huishouden van) een ingezetene van de gemeente Bronckhorst, vanwege een in procedure zijnde echtscheiding, beëindiging van een geregistreerd partnerschap of andere vorm van ontbinding van een duurzame relatie, met dien verstande dat: - de omgevingsvergunning voor maximaal 1 jaar wordt verleend en niet zal worden verlengd; - het recreatieobject in de voorafgaande periode tenminste 1 jaar niet voor bewoning is gebruikt; - betrokkene zich op het tijdelijke adres in laat schrijven in de Basisregistratie personen (BRP). - de tijdelijkheid mede moet zijn gegarandeerd middels een huurovereenkomst, met een contractduur van ten hoogste 1 jaar, tussen betrokkene en de eigenaar van het recreatieobject. c. het tijdelijke bewonen van een recreatieobject door (het huishouden van) een betrokkene ter overbrugging van een periode tussen het verlaten van de oude woning en het kunnen betrekken van de nieuwe woning (bestaande bouw dan wel nieuwbouw) bij verhuizing of ingeval van verbouw van de bestaande woning, met dien verstande dat: - de te verlaten woning of nieuwe woning zich bevindt in de gemeente Bronckhorst; - de verhuisdatum naar de nieuwe woning reeds bekend is en plaatsvindt binnen 1 jaar na de datum van de aanvraag van de omgevingsvergunning; - de omgevingsvergunning voor maximaal 1 jaar wordt verleend en niet zal worden verlengd; - het recreatieobject in de voorafgaande periode tenminste 1 jaar niet voor bewoning is gebruikt; - betrokkene zich op het tijdelijke adres in laat schrijven in de Basisregistratie personen (BRP). - de tijdelijkheid mede moet zijn gegarandeerd middels een huurovereenkomst, met een contractduur van ten hoogste 1 jaar, tussen betrokkene en de eigenaar van het recreatieobject. d. het tijdelijke bewonen van een recreatieobject door (het huishouden van) een niet-ingezetene, vanwege een situatie als bedoeld onder b en c, met dien verstande dat: - de omgevingsvergunning voor maximaal 6 maanden wordt verleend en niet zal worden verlengd; - uitsluitend recreatieobjecten op een bedrijfsmatig geëxploiteerde recreatieparken hiervoor in aanmerking komen; - het recreatieobject in de voorafgaande periode tenminste 1 jaar niet voor bewoning is gebruikt; - betrokkene zich op het tijdelijke adres in laat schrijven in de Basisregistratie personen (BRP). - de tijdelijkheid mede moet zijn gegarandeerd middels een huurovereenkomst, met een contractduur van ten hoogste 6 maanden, tussen betrokkene en de exploitant van het recreatiepark. e. Het tijdelijk gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor ruimtelijk relevante evenementen, waarbij gelet op een goede ruimtelijke ordening en de algemene bepalingen van deze beleidsregels per individueel geval een afweging gemaakt wordt of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is, met dien verstande dat: - een omgevingsvergunning wordt verleend voor eenmalige evenementen en evenementen die voor het eerst worden georganiseerd voor de duur van het evenement, inclusief op- en afbouwperiode; - een omgevingsvergunning wordt verleend voor een terugkerend evenement, dan wel daarmee gelijk te stellen evenement, op éénzelfde locatie voor de duur van maximaal 3 jaar achtereen met een maximum van 1 evenement per jaar. f. Overig gebruik van gronden of bouwwerken, waarbij gelet op een goede ruimtelijke ordening en de algemene toetscriteria van deze beleidsregels per individueel geval een afweging gemaakt wordt of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is, met dien verstande dat: - in eerste aanleg voor de duur van maximaal 5 jaar (of zoveel korter als aangevraagd) een omgevingsvergunning wordt verleend; - na een nieuwe overweging, de omgevingsvergunning kan worden verlengd tot in totaal maximaal 10 jaar. 4.4 Slotbepalingen 4.4.1 Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders blijven bevoegd om af te wijken van de regeling wanneer deze voor een of meer belanghebbenden gevolgen hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. 4.4.2 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking, ter vervanging van de "Beleidsregels artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht" zoals vastgesteld op 11 maart 2014, welke hiermee komen te vervallen. 4.4.3 Titel Dit besluit kan worden aangehaald als "Beleidsregels artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht". Hengelo (Gld.) 14 maart 2017. Burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst, de secretaris, de burgemeester, B. Drewes M. Besselink

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel