Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Toelichting op de beleidsregels

Onderdeel van Beleidsregels artikel 2.12 Wabo

3.1 Algemene uitgangspunten De beleidsregels gaan in op de zogenaamde kruimelgevallen, waarvoor burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo omgevingsvergunning met afwijking van het geldende bestemmingsplan kunnen verlenen. Deze beleidsregels geven een nadere uitwerking van een aantal van de in artikel 4 bijlage II Bor geboden afwijkingsmogelijkheden, met name door het stellen van nadere criteria. 3.1.1 Ligging bebouwde kom Artikel 2.7 Bor jo artikel 4 bijlage II Bor maakt in enkele categorieën van gevallen onderscheid tussen mogelijkheden binnen en buiten de bebouwde kom. Specifiek gaat het om bijbehorende bouwwerken (artikel 4, lid 1 van Bijlage II van het Bor) en gebruikswijzigingen van gebouwen en het bijbehorende aansluitende terrein (artikel 4, lid 1 van Bijlage II van het Bor). Voor de begrenzing van de bebouwde kommen is in deze beleidsregels aansluiting gezocht bij de begrenzing van het bestemmingsplan Stedelijk gebied Bronckhorst. Dit plan omvat nagenoeg alle bebouwde kommen binnen de gemeente. Daarnaast maakt het terrein van Aviko in Steenderen hiervan onderdeel uit en zijn de buurtschappen Medler en Vierakker, gelet op de onderlinge ruimtelijke samenhang, structuur en compactheid, voor de toepassing van dit beleid als bebouwde kom aangemerkt. De begrenzing van de bebouwde kommen voor de toepassing van deze beleidsregels is weergegeven in de bijlage van deze beleidsregels. 3.1.2 Motivering en onderbouwing De toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo is slechts mogelijk indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Als gevolg van het verruimde toepassingsbereik van de ‘kruimellijst’ zijn ontwikkelingen van omvang mogelijk die van evidente invloed kunnen zijn op de omgeving. Niet op voorhand is te stellen dat een ontwikkeling die past in de kruimellijst en de gemeente beleidsregels niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De verantwoordelijkheid voor een motivering dat bij een ontwikkeling sprake is van een goede ruimtelijke ordening ligt in eerste aanleg bij de aanvrager. Daartoe zal aanvrager van een omgevingsvergunning (waarbij wordt gevraagd om af te wijken van de regels voor ruimtelijke ordening) de aanvraag moeten voorzien van een motivering en (ruimtelijke) onderbouwing. De grondslag hiervoor is artikel 3.2, lid b van de Regeling omgevingsrecht (Mor). De omvang hiervan hangt af van de aard van de gevraagde afwijking, maar dient ten minste in te gaan op de algemene bepalingen die worden gehanteerd bij deze beleidsregels. In alle gevallen is een motivering noodzakelijk waarbij de aanvrager aangeeft met welk doel de aanvraag wordt gedaan en welke gevolgen dit heeft voor de omgeving. In aanvulling daarop zal, afhankelijk van de aard en omvang van de aangevraagde activiteit, door aanvrager een ruimtelijke onderbouwing moeten worden opgesteld waarin de gevolgen voor de ruimtelijke ordening in beeld zijn gebracht en is gemotiveerd of en op welke wijze de aanvraag aanvaardbaar is. Per geval zal de gemeente afwegen of en op welke wijze een ruimtelijke onderbouwing nodig is en welke onderzoeken daaraan minimaal ten grondslag moeten liggen. 3.1.3 Voorwaardelijke verplichting Ingevolge artikel 2.22 van de Wabo kunnen aan een omgevingsvergunning voorwaarden worden verbonden. In het bijzondere geval dat een activiteit uitsluitend ruimtelijk aanvaardbaar is wanneer tegelijkertijd wordt voorzien in bepaalde maatregelen, worden aan de omgevingsvergunning voorwaarden verbonden die er toe strekken dat deze maatregelen worden getroffen en in stand worden gelaten (voorwaardelijke verplichting). Daarbij valt te denken aan het realiseren van landschappelijk inpassing, geluidswal en/of bijvoorbeeld parkeervoorzieningen. Per geval zal de gemeente afwegen of dergelijke verplichten nodig zijn om tot een ruimtelijk aanvaardbaar plan te komen. 3.1.4. Planschade Hoofdstuk 6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) omvat een schaderegeling waarbij burgemeester en wethouders degene die in de vorm van inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden (planschade) vanwege een planologisch besluit, op aanvraag een tegemoetkoming toekent voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van aanvrager behoort te blijven. Een omgevingsvergunning die met toepassing van 2.12, eerste lid onder a, onder 2° van de Wabo met toepassing van artikel 4, Bijlage II van het Bor wordt verleend is een planologisch besluit waaruit planschade kan voortvloeien. De gemeente wenst in die gevallen (het risico op) die planschade niet voor zijn rekening te laten. Daartoe zal met aanvrager een planschadeovereenkomst worden gesloten die er toe strekt dat eventuele planschade en met daarmee samenhangende kosten voor rekening van aanvrager blijven. Uitsluitend met een getekende overeenkomst is voor de gemeente de (economische) uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning op dit punt voldoende gewaarborgd en daarmee een algemene voorwaarde voor het verlenen van de omgevingsvergunning met toepassing van de kruimellijst. In situaties waarin het risico op planschade op voorhand is uitgesloten kan worden besloten af te zien van het sluiten van een overeenkomst. Dit is ter beoordeling van de gemeente en mede afhankelijk van de aard en omvang van de aanvraag enerzijds en de bestaande planologische mogelijkheden anderzijds. 3.2 Algemene toetsingscriteria De toepassing van artikel 2.12, eerste lid onder a, onder 2° van artikel 4 van Bijlage II van het Bor staan niet op zichzelf. Onverminderd de in deze artikelen genoemde mogelijkheden zijn ook andere onderdelen van de Wabo en het Bor van toepassing. Daarnaast geldt als algemene voorwaarde voor de toepassing van 2.12, eerste lid onder a, onder 2° dat de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In zijn algemeenheid zal om die reden worden getoetst aan het relevante (sectorale) beleid van rijk, provincie en gemeente (sectoraal) beleid vanwege die goede ruimtelijke ordening. Daarnaast wordt locatie specifiek getoetst aan de ruimtelijk relevante aspecten en van toepassing zijnde milieu wet- en regelgeving. Ten behoeve daarvan zijn een aantal algemene (toets)criteria geformuleerd. 3.3 Specifieke toetsingscriteria per afwijkingscategorie Naast de algemene uitgangspunten en toetscriteria hebben wij per afwijkingscategorie een specifiek afwegingskader waarin is vastgelegd aan welke activiteiten binnen een categorie onder welke voorwaarden kan worden meegewerkt aan een omgevingsvergunning. 3.3.1 Bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan Voor deze categorie geeft artikel 4, onder 1 van bijlage II van het Bor uitsluitend voorwaarden voor zover het locaties betreft buiten de bebouwde kom. A Binnen de bebouwde kom Het artikel maakt het in de bebouwde kom mogelijk om een aanzienlijke uitbreiding ter realiseren van een bestaande hoofd- en bijgebouwen alsmede de realisatie van bijbehorende bouwwerken. Met de vaststelling van het bestemmingsplan Stedelijk Gebied Bronckhorst is het voorgaande afwijkingenbeleid met betrekking tot woonbestemmingen volledig geïntegreerd in de bestemmingsplanregeling. Vanwege deze actuele en ruime planologische inzichten werken wij, behoudens het bepaalde in de hardheidsclausule, niet mee aan toepassing van dit artikel bij woonbestemmingen. Bij de overige bestemmingen is in het bestemmingsplan Stedelijk gebied Bronckhorst bij de bestemmingslegging veelal sprake van maatwerk. Wij achten het voor die gevallen niet noodzakelijk op voorhand nadere voorwaarden te stellen nu de afweging per situatie of locatie anders is. In voorkomende situaties zal per geval, met in achtneming van de algemene toetscriteria, een afweging gemaakt worden of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. In deze categorie (artikel 4.3.1 onder a) vallen ook de situaties waarin sprake is van verkoop van gemeentelijke grondbezit ten behoeve van woongebruik (zoals snippergroen). Doorgaans biedt de bestemming van het verkochte niet direct de mogelijkheid om dit te bebouwen ten dienste van de woonbestemming. De bestemmingswijziging wordt veelal in het eerstvolgende veegplan meegenomen. In die gevallen wordt via deze categorie een afwijking verleend voor bijbehorende bouwwerken als deze in de woonbestemming zouden passen indien het verkochte al onderdeel zou hebben uitgemaakt van de woonbestemming, waaraan het verkochte is of wordt toegevoegd. B Buiten de bebouwde kom Buiten de bebouwde kom is de bouwhoogte beperkt tot 5 m¹. Deze beperking geldt niet voor een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf. In zijn algemeenheid geldt wel de beperking dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 150m². Specifiek voor woningen, waaronder ook begrepen (agrarische) bedrijfswoningen achten wij het gelet op het gemeentelijk beleid wenselijk nadere eisen te stellen aan de maximale inhoud van de woning en de totale oppervlakte aan bijgebouwen bij woningen. Voor overige situaties achten wij het niet noodzakelijk op voorhand nadere voorwaarden te stellen nu de afweging per situatie of locatie anders is. In voorkomende situaties zal per geval, met in achtneming van de algemene toetscriteria, een afweging gemaakt worden of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. 3.3.2 Een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening Voor een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening geeft artikel 4, onder 2 van bijlage II van het Bor zelf voorwaarden ten aanzien van de maximale oppervlak (50m²) en maximale bouwhoogte (5m¹). Wij achten het niet noodzakelijk op voorhand nadere voorwaarden te stellen. In voorkomende situaties zal per geval mede met in achtneming van de algemene toetscriteria een afweging gemaakt worden of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. 3.3.3 Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk Voor deze categorie geeft artikel 4, onder 3 van bijlage II van het Bor voorwaarden ten aanzien van maximale oppervlakte (50m²) en maximale bouwhoogte (10m¹). Met het oog op de ruimtelijke kwaliteit vinden wij het wenselijk om aanvullend de maximale hoogte van erf- en terreinafscheidingen. In deze categorie (artikel 4.3.3 onder a) vallen ook de situaties waarin sprake is van verkoop van gemeentelijke grondbezit ten behoeve van woongebruik (zoals snippergroen). Doorgaans biedt de bestemming van het verkochte niet direct de mogelijkheid om dit te bebouwen met erf- en/of terreinafscheidingen dienste van de woonbestemming. De bestemmingswijziging wordt veelal in het eerstvolgende veegplan meegenomen. In die gevallen wordt via deze categorie een afwijking verleend voor bijbehorende bouwwerken, geen gebouw zijnde als deze in de woonbestemming zouden passen indien het verkochte al onderdeel zou hebben uitgemaakt van de woonbestemming, waaraan het verkochte is of wordt toegevoegd. Ook voor andere bouwwerken, zoals vlaggenmasten en reclamezuilen stellen wij in verband met de ruimtelijke kwaliteit nadere voorwaarden, in aantal, in hoogte en de aanvullende functionele eis dat dergelijke bouwwerken worden opgericht ten behoeve van het volgens het bestemmingsplan ter plaatse toegestane gebruik. Met betrekking tot de overige bouwwerken zal per geval mede met in achtneming van de algemene toetscriteria een afweging gemaakt worden of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. 3.3.4 Een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, dan wel een uitbreiding met een bouwdeel van ondergeschikte aard Voor deze categorie geeft artikel 4, onder 4 van bijlage II van het Bor geen voorwaarden en kan bij zowel woningen als andere gebouwen worden toegepast. Omwille van de ruimtelijke kwaliteit vinden wij het, voor zover niet vergunningsvrij, wenselijk om nadere regels te stellen in zowel de bebouwde kom als daarbuiten. Dakkapellen met een inhoudsmaat tot 7m³ zijn in het bestemmingsplan Stedelijk Gebied Bronckhorst als ondergeschikt bouwdeel aangemerkt en binnen die maatvoering toegestaan. Vanwege deze actuele en ruime planologische inzichten werken wij, behoudens het bepaalde in de hardheidsclausule, niet mee aan toepassing van dit artikel voor wat betreft dakkapellen in de bebouwde kom. Buiten de bebouwde kom stellen wij een maximale inhoudsmaat van 7m³ aan dakkapellen. Bij ‘dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding’ gelden vanwege ruimtelijke kwaliteit en functionaliteit de beperking dat dit uitsluitend kan bij een hoofdgebouw en aanvullende voorwaarden ten aanzien van het aantal bouwlagen, de hoogte en een terug liggende situering achter de oorspronkelijke buitengevels. In aanvulling daarop geldt in het buitengebied dat een dergelijke uitbreiding bij woningen slechts is toegestaan indien de in het buitengebied toegestane maximale inhoudsmaat van 750m³ niet wordt overschreden. Met betrekking tot de restcategorie ‘uitbreiding met een bouwdeel van ondergeschikte aard’ zal per geval mede met in achtneming van de algemene toetscriteria een afweging gemaakt worden of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. 3.3.5 Een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40m¹ Voor antenne-installaties is in artikel 4, onder 5 bijlage II van het Bor voorwaarden gesteld ten aanzien van de hoogte (40 m¹). Afhankelijk van de locatie kunnen dergelijke installaties een behoorlijke ruimtelijke impact hebben. Wij vinden het wenselijk om voor vergunningplichtige antennedragers bij GSM-, UMTS- en LTE-basisstations, overige commerciële communicatienetwerken en particuliere installaties, nadere regels te stellen ten aanzien van de minimale afstand tot woningen en ruimtelijke en landschappelijke inpassing. Wij hebben hiervoor in 2012 beleidsregels vastgesteld en de daarin gehanteerde uitgangspunten worden via deze beleidsregels toegepast bij de beoordeling van verzoeken in deze categorie. 3.3.6 Een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder w, van de Elektriciteitswet 1998 Voor installaties bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling is in artikel 4, onder 6 bijlage II van het Bor geen nadere voorwaarden. Wij achten het niet noodzakelijk op voorhand nadere voorwaarden te stellen. In voorkomende situaties zal per geval mede met in achtneming van de algemene toetscriteria een afweging gemaakt worden of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. 3.3.7 Installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd Voor deze categorie geeft artikel 4, onder 7 van bijlage II van het Bor een specifieke omschrijving van de bedoelde installatie en het bewerkingsproces. In het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied van Steenderen / Hummelo en Keppel is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor het toestaan van een mestvergistingsinstallatie ten behoeve van het eigen bedrijf. De in dat plan gehanteerde voorwaarden daarvoor verklaren wij aanvullend van toepassing op deze categorie. Overigens is de betreffende regeling opgenomen in het ontwerp van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst. 3.3.8 Gebruiken van gronden voor niet-ingrijpende herinrichting van het openbare gebied Voor deze categorie geeft artikel 4, onder 8 in bijlage II van het Bor geen voorwaarden. Wij achten het ook niet noodzakelijk om voor deze categorie aanvullende of specifieke voorwaarden te stellen. In voorkomende situaties zal per geval binnen de in het Bor gegeven voorwaarden en met in achtneming van de algemene toetscriteria van dit beleid een afweging worden gemaakt. 3.3.9 Wijzigen van het gebruik van bouwwerken en daarbij behorende aansluitende terrein In deze brede categorie wordt in artikel 4, onder 9 bijlage II van het Bor onderscheid gemaakt in de ligging in de bebouwde kom en het gebied daarbuiten. Binnen de bebouwde kom zijn de mogelijkheden ruim, mede gelet op de bepaling in artikel 5 onder 1, sub c van Bijlage II van het Bor waarin is bepaald bij de toepassing van deze categorie dat het aantal woningen niet gelijk hoeft te blijven. Buiten de bebouwde kom kan deze categorie slechts worden toegepast ten behoeve van logiesfuncties voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdeling. A Binnen de bebouwde kom Hoewel het vanwege het brede toepassingsbereik onmogelijk is op alle denkbare aspecten op voorhand beleidsregels te stellen achten wij het op voorhand wenselijk om ten aanzien van een aantal algemene beleidsaspecten nadere regels te stellen voor toepassing binnen de bebouwde kom. Voor kleinschalige en aan de hoofdfunctie ondergeschikte gebruikswijzigingen biedt het bestemmingsplan Stedelijk Gebied Bronckhorst het actuele beleidskader. Daarin zijn bij recht dan wel via een afwijkingsregeling mogelijkheden (naar aard en omvang gelimiteerd) opgenomen voor bijvoorbeeld aan huis verbonden activiteiten, kleinschalige horeca-activiteiten binnen detailhandelsbestemmingen en internetverkoop buiten de detailhandelsbestemmingen. Vanwege deze actuele en ruime planologische inzichten werken wij, behoudens het bepaalde in de hardheidsclausule, niet mee aan toepassing van dit artikel voor ondergeschikte gebruikswijzigingen die in aard en omvang afwijken van de regeling(en) in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan Stedelijk gebied Bronckhorst voorziet eveneens in een afwijkingsregeling voor integrale of gedeeltelijke gebruikswijzigingen binnen bedrijfsbestemmingen (Bedrijf, Bedrijventerrein en de specifieke varianten daarop) om bedrijven toe staan die naar aard en omvang gelijk zijn te stellen aan ter plaatse reeds toegestane bedrijven, zodat ook voor dergelijke gebruikswijzigingen, behoudens het bepaalde in de hardheidsclausule, geen toepassing zal worden gegeven aan dit artikel. Voor zover het bestemmingsplan Stedelijk gebied Bronckhorst wijzigingsbevoegdheden omvat die betrekking hebben op het veranderen van het gebruik van gebouwen en het daarbij behorende aansluitende terrein passen wij dit artikel in beginsel wel toe nu dit procedureel leidt tot een kortere procedure. Er dient voldaan te worden aan de in het bestemmingsplan opgenomen relevante wijzigingsvoorwaarden, de in het Bor gegeven voorwaarden en er zal in die voorkomende gevallen met in achtneming van de algemene toetscriteria van dit beleid een afweging worden gemaakt. Voor overige situaties van gebruikswijzigingen zal per geval binnen de in het Bor gegeven voorwaarden en met in achtneming van de algemene toetscriteria van dit beleid een afweging worden gemaakt. B Buiten de bebouwde kom Gelet op de beperkte reikwijdte van dit artikel buiten de bebouwde kom achten wij het niet noodzakelijk op voorhand nadere voorwaarden te stellen. In voorkomende situaties zal per geval mede met in achtneming van de algemene toetscriteria een afweging gemaakt worden of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. 3.3.10 Het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning Voor deze categorie zijn in artikel 4, onder 10 bijlage II van het Bro specifieke voorwaarden gesteld ten aanzien van de toepasbaarheid. De recreatiewoning moet voldoen aan de bouwtechnische eisen van een reguliere woning, de verlening mag niet in strijd zijn met milieuregelgeving en de aanvrager moet in elk geval op 31 oktober 2003 meerderjarig zijn en op dat moment de recreatiewoning als woning in gebruik hebben gehad en deze sedertdien onafgebroken hebben bewoond. Wij achten het noodzakelijk om binnen deze voorwaarden verduidelijkende en aanvullende voorwaarden te stellen. 3.3.11 Ander gebruik van gronden of bouwwerken voor een termijn van ten hoogste 10 jaar Voor deze categorie zijn in artikel 4, onder 11bijlage II van het Bro geen specifieke nadere voorwaarden opgenomen en kan dit worden toegepast voor situaties die niet passen in één van de andere categorieën. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze categorie blijkt dat deze toepasbaar is voor de activiteiten ‘bouwen’ en/of ‘gebruiken’. De beperking dat slechts een tijdelijke vergunning kan worden verleend voor een activiteit die voorziet in een tijdelijke behoefte, is komen te vervallen. Het is dus mogelijk om een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen, ook als het gaat om een activiteit die voorziet in een permanente behoefte. Het behoeft derhalve niet langer aannemelijk te zijn dat er na de gegeven termijn in het geheel geen behoefte meer bestaat aan de activiteit. Aannemelijk en feitelijk dient het mogelijk te zijn dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan en zal worden beëindigd. Toepassingsbereik De categorie is breed inzetbaar voor activiteiten die niet passen in één van de bovengenoemde categorieën met die beperking dat de termijn maximaal 10 jaar bedraagt. Vanwege het brede toepassingsbereik van dit artikel achten wij het, behoudens voor het tijdelijk bewonen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en evenementen, niet noodzakelijk op voorhand nadere voorwaarden te stellen. In voorkomende situaties zal per geval mede met in achtneming van de algemene toetscriteria een afweging gemaakt worden of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk en aanvaardbaar is. Termijn De maximale termijn is gelijk aan de planperiode van een bestemmingsplan en in zoverre nauwelijks tijdelijk te noemen. In zijn algemeenheid achten wij, juist vanwege een goede ruimtelijke ordening, in beginsel een termijn van maximaal 5 jaar voldoende. Specifiek voor het tijdelijk bewonen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en evenementen wordt ten aanzien van de termijn nader beleidsregels gesteld. De beleidsregel dat in beginsel een termijn van 5 jaar wordt gehanteerd voor deze categorie houdt niet in dat automatisch wordt afgeweken voor de duur van 5 jaar. De afwijkingstermijn wordt binnen die beleidsregel, vastgesteld op basis van de aard en omstandigheden van de aangevraagde activiteit. Indien uiteindelijk een langere termijn nodig blijkt wordt aan het einde van de eerste termijn opnieuw een ruimtelijke afweging gemaakt of en voor welke periode de tijdelijke omgevingsvergunning wordt verlengd tot een totale termijn van ten hoogste 10 jaar. Bewoning van niet voor bewoning bestemde gebouwen Het bewonen van ‘niet voor bewoning bestemde gebouwen’ is niet toegestaan. Ook niet als dat maar voor een beperkte periode is. Het gaat hier bijvoorbeeld om het bewonen van recreatiewoningen, stacaravans, units en bijgebouwen. Er zijn echter situaties denkbaar waarbij behoefte is aan een tijdelijke oplossing. Bijvoorbeeld in situaties waarin: *vanwege een verbouwing of calamiteit een woning tijdelijk niet bewoonbaar is; *sprake is van een overbruggingsperiode tussen de verkoop van de ene woning en de oplevering van de andere woning; *gevallen waarin als gevolg van een echtscheiding, beëindiging van een geregistreerd partnerschap of ander vorm van ontbinding van een duurzame relatie behoefte is aan tijdelijke woonruimte. Personen die een huis hebben verkocht maar nog op zoek zijn naar een nieuwe koopwoning, personen die het ouderlijk huis verlaten evenals personen die na hun studie op zoek gaan naar woonruimte komen niet in aanmerking. In dergelijk situaties kan een tijdelijk woonruimte elders uitkomst bieden. De tijdelijke oplossing kan zijn om een andere bestaande woning te huren waar bewoning volgens het bestemmingsplan is toegestaan. Er is dan geen omgevingsvergunning nodig. Dit heeft mede gelet op de krimpontwikkeling en de voorkomende leegstand in de woningvoorraad de voorkeur. In combinatie met de Leegstandswet bestaan hiervoor ook goede mogelijkheden voor eigenaren van leegstaande woningen. Daarnaast is het voor het woon- en leefklimaat van de woongebieden ruimtelijk gewenst dat bestaande woningen niet leeg staan. In een aantal situaties werken wij, onder voorwaarden, echter mee aan een tijdelijke vergunning voor een andere woonoplossing. Bewoning op bouwplaats Specifiek bij nieuwbouw, verbouwing of herbouw (al dan niet als gevolg van een calamiteit) is het mogelijk op de betreffende locatie tijdelijk te wonen in een bijgebouw of te plaatsen unit of stacaravan. Dat geldt voor ingezetenen van de gemeente, maar ook voor niet ingezetenen die een woning hebben gekocht in de gemeente en deze eerst vernieuwen/verbouwen. Gelet op het gemiddelde duur voor het opstellen van een ontwerp, het vergunningentraject en de realisatietijd/verbouwtijd van een woning wordt in deze gevallen in beginsel een vergunning verleend voor de duur van maximaal 2 jaar verleend. Daaraan zijn voorwaarden verbonden met betrekking tot de locatie van het tijdelijk woonverblijf, de situaties waarin de tijdelijke bewoning wordt toegestaan en welke bewoners in aanmerking komen voor bewoning van het tijdelijke woonverblijf. Overigens is onder voorwaarden in deze omstandigheid ook het tijdelijk bewonen van een recreatieobject mogelijk voor de duur van maximaal één jaar. Bewoning van recreatieobjecten Veelvuldig wordt als gevolg van één van de eerde genoemde urgentiesituaties voor een (tijdelijke) oplossing gekeken naar het tijdelijk bewonen van een recreatieobject (bungalow, stacaravan e.d.). Recreatieobjecten die langdurige worden bewoond worden dan aan het recreatieve gebruik onttrokken. In zijn algemeenheid is dat vanwege het recreatieve beleid in de gemeente niet gewenst. Bovendien is het leefpatroon van een bewoner volledig anders dan dat van een recreant, waardoor het recreatieve product als zodanig minder aantrekkelijk wordt voor recreanten. Recreanten, eigenaren van recreatieobjecten, parkbeheerders en ook de gemeente worden hierdoor onnodig benadeeld. Dat geldt in het bijzonder op de recreatieparken. Tot slot is het een onwenselijke situatie dat recreatieobjecten voor langere tijd worden verhuurd terwijl er elders reguliere woningen leeg staan. Om die redenen wordt het tijdelijk bewonen van recreatiewoningen toegestaan voor de duur van maximaal 1 jaar, met een beperktere periode voor niet ingezeten. Daarnaast wordt als voorwaarde gesteld dat het betreffende recreatieobject voorafgaand ten minste 1 jaar niet is gebruikt voor tijdelijke bewoning. Dit om te voorkomen dat feitelijk permanente bewoning plaatsvindt door opeenvolgende tijdelijke bewoners en een recreatieobject in werkelijkheid langdurig aan de recreatieve functie onttrokken is en blijft. Daarnaast gelden een aantal specifieke voorwaarden die zijn gericht op het bestendigen van de tijdelijkheid en vindbaarheid van bewoners (registratie). De doelgroepen die in aanmerking komen voor een tijdelijke afwijking voor het bewonen van een recreatieobject zijn primair (toekomstige) ingezetenen van de gemeente, waarbij vanwege een echtscheiding, beëindiging van een geregistreerd partnerschap of andere vorm van ontbinding van een duurzame relatie behoefte is aan tijdelijke woonruimte. Daarnaast voor (toekomstige) ingezetenen die vanwege ver- of herbouw van een woning op deze locatie geen tijdelijke woonruimte kunnen of willen realiseren en wel behoefte hebben aan een alternatieve tijdelijke woonruimte. Niet-ingezetenen van de gemeente dienen in die voorkomende situaties in principe binnen hun eigen gemeente een oplossing te vinden. Aan tijdelijke bewoning van een recreatieobjecten gedurende maximaal 6 maanden door niet-inwoners kan incidenteel onder aanvullende voorwaarden medewerking worden verleend. Deze extra mogelijkheid hebben wij gecreëerd om gecontroleerd te voorkomen dat niet-inwoners buiten ons zichtveld toch recreatieobjecten bewonen. Evenementen Evenementen kunnen ruimtelijk relevant zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als evenementen regelmatig plaatsvinden, terugkerend zijn, meerdere dagen duren (inclusief op- en afbouw), gebruik wordt gemaakt van versterkte elektronische muziek, er gelijktijdig meer dan 250 gedurende meer dan 2 uur aanwezig zijn op een locatie en/of een evenement bijvoorbeeld plaatsvindt in of nabij een gebied met natuurwaarde(n). Uit jurisprudentie volgt dat voor die situaties ook een afweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is. Dat geldt in het bijzonder, maar niet uitsluitend, voor periodiek terugkerende evenementen/activiteiten en/of meerdaagse evenementen (inclusief op- en afbouw). Primair vormt het bestemmingsplan of beheersverordening in die situaties een toetsingskader. In de gemeente zijn op diverse locaties specifieke evenemententerreinen als zodanig bestemd of zijn specifieke activiteiten/evenementen toegestaan binnen andere voorkomende bestemming. In die gevallen is de ruimtelijke afweging reeds gemaakt. Het kan echter voorkomen dat zich nieuwe of eenmalige evenementen/activiteiten aandienen. In beginsel geven wij er de voorkeur aan deze te organiseren op de daarvoor reeds bestemde terreinen of locaties. De aard en het type evenement/activiteit kan echter aanleiding zijn voor een terrein of locatie dat niet als zodanig is bestemd. In deze gevallen werken wij, met in acht name van de algemene bepalingen mee aan een tijdelijke vergunning voor de duur van het evenement (inclusief op- en afbouw). Voor zover een (nieuw) evenement succesvol blijkt en vaker zal worden georganiseerd -dat kan hetzelfde evenement zijn (in naam) maar ook een evenement zijn dat in zijn hoedanigheid als gelijkwaardig kan worden aangemerkt- op eenzelfde locatie, verlenen wij voor ten hoogste drie jaar een omgevingsvergunning met een maximum van 1 maal per jaar. De termijn van drie jaar geeft voldoende tijd om het evenement als zodanig te hebben verankerd in een bestemmingsplan. In dat kader kan dan ook de afwegingen worden gemaakt of intensivering van het aantal evenementen per jaar ruimtelijke aanvaardbaar is op de betreffende locatie. Een afweging die op basis van steeds individuele aanvragen niet kan worden gemaakt en op basis waarvan de beperking van één evenement per jaar wordt gesteld. Voor periodieke evenementen die steeds op een andere locatie plaatsvinden wordt, vanwege de gewijzigde locatie specifieke situatie, steeds opnieuw afgewogen of een tijdelijke omgevingsvergunning kan worden verleend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel