Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Kader

Onderdeel van Beleidsregels artikel 2.12 Wabo

2.1 Algemeen De toestemming om met toepassing van de ‘kruimellijst’ met een omgevingsvergunning af te wijken van een bestemmingsplan kan alleen worden verleend voor de gevallen en de bijbehorende voorwaarden uit artikel 4 van Bijlage II van het Bor, gelezen in samenhang met artikel 5 van Bijlage II van het Bor . Wordt niet aan deze verplichtingen voldaan, dan kan voor de omgevingsvergunning niet de grondslag van art 2.12, lid 1 onderdeel a onder 2 Wabo gebruikt worden, maar zal de grondslag van de uitgebreide afwijking bestemmingsplan (art. 2.12, lid 1 onderdeel a onder 3 Wabo) gevolgd moeten worden. De gemeente geeft in die gevallen overigens de voorkeur aan een herziening van het bestemmingsplan , als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), in het kader van het zogenaamde ‘Bronkhorster bestemmingsplan proces’. De inhoudelijke beoordeling van een omgevingsvergunning om af te wijken van een bestemmingsplan vindt plaats via een zorgvuldige belangenafweging en aan de hand van een goede ruimtelijke ordening, het gemeentelijk beleid en de verplichtingen uit (milieu)wetgeving. Voor afwijkingen van het bestemmingsplan die passen in de ‘kruimellijst’, geldt onder de Wabo de reguliere procedure. De beslistermijn is 8 weken2. Bezwaar, beroep en hoger beroep zijn mogelijk. Er is geen terinzagelegging voorafgaand aan het besluit. Als het bevoegd gezag na wettelijke termijn weken geen besluit heeft genomen, is de vergunning van rechtswege verleend. Voor zover een aanvraag voor de activiteit ‘Bouwen’ wordt ingediend die niet past in het bestemmingsplan wordt de aanvraag(op basis van artikel 10, lid 2 Wabo ook gezien als een aanvraag om af te wijken van het bestemmingsplan. In voorkomende gevallen wordt dan automatisch getoetst aan de ‘kruimellijst’ en het gemeentelijke beleid daarvoor. 2.Het bevoegd gezag kan 1) de beslistermijn opschorten om een aanvrager in de gelegenheid te stellen een aanvraag aan te vullen en/of 2) de beslistermijn gemotiveerd verdagen met 6 weken. 2.2 Ruimtelijk beleid Het ruimtelijke beleid van de gemeente is in belangrijke mate vastgelegd in bestemmingsplannen. De daarin geboden mogelijkheden worden als ruimtelijk aanvaardbaar beschouwd. Met de recente vaststelling van het bestemmingsplan Stedelijk gebied Bronckhorst is er een uniform en actueel ruimtelijk kader voor de kernen. Voor het gehele buitengebied is een actuele bestemmingsplan in voorbereiding (Landelijk gebied) zodat ook voor dit gebied binnen afzienbare tijd een actueel bestemmingsplan van toepassing is. Actuele bestemmingsplannen garanderen een actueel ruimtelijk beleidskader. De plannen voorzien ook in de nodige flexibiliteitsbepalingen. Het neemt echter niet weg dat gedurende de ‘geldigheidsduur’ van deze bestemmingsplannen zich vraagstukken of ontwikkelingen kunnen voordoen die niet zijn voorzien in deze bestemmingsplannen. De ‘kruimellijst’ vormt in die gevallen een ‘flexibele schil’ om van deze bestemmingsplannen af te kunnen wijkingen Bij het beslissen over aanvragen om af te wijken van een bestemmingsplan, moet afgewogen worden of de afwijking ruimtelijk gewenst is. In deze beleidsnota is die afweging voor een aantal gevallen al (soms deels) gemaakt. Afhankelijk van de situatie, kan het zijn dat er per geval nog een nadere afweging/beoordeling moet worden gemaakt en is aangegeven op basis waarvan die dit dient plaats te bevinden. Past een aanvraag niet binnen dit afwijkingenbeleid, dan wordt er in principe geen medewerking verleend aan het plan. Bij aanvragen die niet voldoen aan het beleid zal er in ieder geval ook altijd met een aanvrager worden gezocht naar alternatieven die wel voldoen aan het beleid. Bij de behandeling van verzoeken wordt zoveel mogelijk met de aanvrager meegedacht. 2.3 Afwijkingsbeleid Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schrijft voor dat besluiten, waaronder ook beslissingen op verzoeken om omgevingsvergunning vallen, op zorgvuldige wijze tot stand moeten komen. Artikel 4:82 Awb regelt dat de gemeente beleidsregels kan vaststellen voor de uitoefening van de gemeente toekomende bevoegdheden. Via deze beleidsregels geeft de gemeente aan hoe in zijn algemeenheid met verzoeken om omgevingsvergunning ex artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo zal worden omgegaan. Ten aanzien van de afwijking op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo geeft het Bor zelf al zekere beperkingen aan reikwijdte van deze bevoegdheid. Er blijft echter een zekere beleidsvrijheid aan gemeenten binnen de opsomming van aangewezen categorieën van gevallen. Deze opsomming is weliswaar limitatief, maar de normstelling per geval is ruim, dan wel afwezig en geeft ruimte tot invulling via eigen (gemeentelijk) beleid. Juist vanwege die ruime normstelling en ter voorkoming van onduidelijkheid en excessen in stedenbouwkundige of planologische achten wij het gewenst om voor de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid deze beleidsregels vast te stellen. Over het algemeen houden deze beleidsregels een nuancering in van de in het Bor geboden afwijkingsmogelijkheden, met name door het stellen van nadere criteria vanuit planologische, stedenbouwkundige en/of beleidsmatige overwegingen. Het via een omgevingsvergunning afwijken van een bestemmingsplan is geen verplichting, maar een bevoegdheid met een belangenafweging per geval, waarbij moet worden gemotiveerd of een activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Een aanvraag kan weliswaar kwantitatief passen binnen de ‘kruimellijst’ en deze beleidsregels, maar vanuit het oogpunt van bijvoorbeeld stedenbouw, het woonmilieu, volkshuisvestelijk beleid, milieuregelgeving of in relatie tot de omgeving ongewenst of onaanvaardbaar zijn. In voorkomende gevallen kan de gemeente het verzoek om omgevingsvergunning (gemotiveerd) afwijzen. De toetst aan dergelijke aspecten is opgenomen in de algemene toetscriteria van de beleidsregels. 2.4 Afwijken van het afwijkingsbeleid De gemeente kan, en moet soms zelfs, afwijken van gestelde beleidsregels, mits goed gemotiveerd. Dit is met name aan de orde als de toepassing van de beleidsregels wegens bijzondere (en in deze beleidsregels onvoorziene) omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doel. Deze zogeheten ‘hardheidclausule’ is geregeld in artikel 4:84 Awb en opgenomen in de beleidsregels.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel