**1..** Na beëindiging of intrekking van de uitkering wordt de hoogte van de maandelijkse aflossing gedurende 6 maanden te rekenen vanaf datum waarop de uitkering is beëindigd of ingetrokken, ongewijzigd gelaten.
**2..** Na afloop van de termijn van zes maanden als bedoeld in het vorige lid, wordt bij alle vorderingen de hoogte van de maandelijkse aflossing vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 15, lid 1, vermeerderd met de helft van het netto inkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.
**3..** Indien tijdens het nemen van een terugvorderingsbesluit een ander inkomen wordt ontvangen dan een uitkering voor levensonderhoud op grond van de PW, IOAW of IOAZ, wordt bij alle vorderingen de hoogte
van de maandelijkse aflossing vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 15, lid 1, vermeerderd met de helft van het netto inkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.
**4..** In bijzondere situaties kan in afwijking van lid 2 en lid 3 met een betalingsvoorstel van de belanghebbende worden ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 24 maanden in zijn geheel wordt afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 15,00 per maand bedraagt.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 16
Hoogte van de aflossing na beëindiging van de uitkering of bij geen uitkering
Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ