Onder het voeren van een huishouden verstaan we:
Het schoonmaken van het huis, zodat het schoon en leefbaar is;
Zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, dweilen, toilet en badkamer reinigen, keuken reinigen, ramen wassen binnenzijde, bed verschonen en (zwaar) afval opruimen.
Licht huishoudelijk werk: opruimen, stof afnemen, afwas, planten water geven en bed opmaken;
Het doen van de boodschappen: het inkopen van voedsel en schoonmaakmiddelen en het bijhouden van voorraden;
Het klaarmaken van het eten: warme maaltijden en broodmaaltijden;
Het doen van de was: wassen, drogen, strijken en opvouwen en opbergen van kleding en linnengoed;
De organisatie van het huishouden;
Anderen in huis helpen met de zelfverzorging.
Het gaat om alle activiteiten in en om het huis, exclusief de tuin en het lappen van de ramen aan de buitenkant, maar inclusief balkon en berging. Uitgegaan wordt van een woning op het niveau van sociale woningbouw. Alleen de dagelijks in gebruik zijnde ruimtes worden schoon gehouden.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.1