3.3.1 Inleiding
De Wmo draagt ertoe bij dat mensen ondersteund worden in hun maatschappelijke participatie (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, p. 52). Bij participatie gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen.
Om te komen tot maatwerk zal de vervoersbehoefte van de aanvrager uitgangspunt zijn van de beoordeling welke voorziening nodig is om het resultaat te bereiken. Hiervoor zijn diverse voorzieningen voorhanden, zoals een rolstoel, scootmobiel of een speciale fiets.
Collectieve voorzieningen
Hieronder wordt verstaan voorzieningen die weliswaar individueel worden verstrekt maar die toch door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Het Collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) is geen algemene voorziening, maar een maatwerkvoorziening. Omdat hierbij de reguliere aanvraagprocedure geldt, wordt er een beschikking afgegeven.
3.3.2 Afwegingskader
Allereerst beoordeelt het college in het gesprek en het onderzoek of de beperkingen kunnen wor-den verminderd of worden weggenomen op eigen kracht, mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk.
Vervolgens beoordeelt het college in het gesprek en het onderzoek of de beperkingen kunnen worden verminderd of worden weggenomen met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voor-zieningen of met gebruikmaking van algemene voorzieningen.
Als het college dient te compenseren door middel van een maatwerkvoorziening zal allereerst gekeken worden of een vervoersvoorziening nodig is en waar de vervoersbehoefte van de cliënt uit bestaat. De gemeente is niet verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de voorziening On-dersteuning Maatschappelijke Deelname (OMD).
Aan de hand van deze vervoersbehoefte zal het college beoordelen of deze behoefte bij een per-soon met een maximale loopafstand van 800 meter ingevuld kan worden met een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer (Regiotaxi). Is collectief vervoer een compenserende voorzie-ning in het individuele geval? Dan heeft de cliënt geen keuzevrijheid voor een persoonsgebonden budget voor vervoer. Hierbij houdt het college rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de cliënt.
Met een systeem voor collectief vervoer (Regiotaxi) of met een andere maatwerkvoorziening kan een afstand van ongeveer 1800 km per jaar worden afgelegd (600 zones). Indien daar aanleiding voor is, kan het college daarvan afwijken.
Bij de bepaling van het aantal kilometers kan het gebruik van een andere verstrekte voorziening, zoals een scootmobiel, meegewogen worden, hetgeen invloed kan hebben op het aantal kilome-ters.
Bij personen met een zeer beperkte loopafstand zal het college beoordelen of naast een voorzie-ning als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de korte afstand (bijv. scootmobiel).
Indien personen tijdelijk buiten de gemeente Oldenzaal woonachtig zijn, maar de intentie hebben om terug te keren, is compensatie voor het gebruik van Regiotaxi niet mogelijk. In voorkomende gevallen kan gedurende ten hoogste 3 maanden een tijdelijk budget worden verstrekt van € 90,- per maand, op declaratiebasis. Dit is gebaseerd op het maximum aantal zones van 600 per jaar en het zonetarief voor openbaar vervoer. Verlenging van de periode van 3 maanden moet indivi-dueel worden beoordeeld.
Indien collectief vervoer niet mogelijk is, kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een voorziening in natura of een forfaitaire tegemoetkoming verstrekken te besteden aan vervoer.
Bij een persoonsgebonden budget is de voorziening die de cliënt als voorziening in natura zou ontvangen voor het college uitgangspunt voor de hoogte van het bedrag.
Zou er in natura een voorziening vanuit het depot verstrekt worden, omdat er een geschikte voor-ziening aanwezig is, dan zal het bedrag van het persoonsgebonden budget op deze depotvoor-ziening gebaseerd worden. Daarbij wordt rekening gehouden met de nog resterende afschrij-vingsperiode bij het bepalen van de hoogte van het bedrag.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.3