In deze regeling wordt verstaan onder:

  • - Wachtgeldregeling: het Rijkswachtgeldbesluit 1959;
  • - Betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel 2 van de wachtgeldregeling;
  • - Wachtgeld: een uitkering in de zin van de wachtgeldregeling;
  • - Maatregel: het met toepassing van artikel 13, derde lid, van de wachtgeldregeling geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren van het wachtgeld tot maximaal het niveau als aangegeven in deze regeling;
  • - Baanzekerheid: een baangarantie of een zodanige kans op een baan, na afronding van een opleiding of scholing, dat deze gelijk te stellen is met een baangarantie;
  • - Werk: werk dat voor betrokkene passend is te achten. Als passend werk wordt beschouwd alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de betrokkene is berekend, tenzij aanvaarding van redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Niet als passend werk wordt beschouwd arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in de Wet Sociale Werkvoorziening;
  • - UVI: de Uitvoeringsinstelling die namens de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijkrelaties de uitvoering van de wachtgeldregeling verzorgt.

Onder ‘niet ernstig tracht werk te vinden’ bedoeld in artikel 13, derde lid, onderdeel e, van de wachtgeldregeling worden in elk geval de volgende gedragingen verstaan:

  • - Betrokkene weigert te voldoen aan een oproep van de instantie die belast met de uitvoering van de wachtgeldregeling;
  • - Betrokkene wordt of blijft werkloos omdat hij in onvoldoende mate tracht werk te verkrijgen;
  • - Betrokkene stelt eisen die het aanvaarden of verkrijgen van werk belemmeren;
  • - Betrokkene weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing, of weigert voldoende mee te werken aan het bereiken van een gunstig studieresultaat;
  • - Betrokkene stelt zich geheel of gedeeltelijk niet beschikbaar voor werk.

De betrokkene heeft recht op begeleiding bij het trachten werk te vinden.

Deze begeleiding wordt namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties gegeven door de UVI.

De inhoud van de begeleiding wordt in overleg tussen de betrokkene en de UVI vastgesteld en neergelegd in een reïntegratieplan.

De hoogte en de duur van de maatregel op grond van artikel 13, derde lid, onderdeel e van de wachtgeldregeling bedragen:

  • - 5% gedurende 4 weken indien sprake is van een gedraging of nalaten, bedoeld in artikel 2, onderdeel a;
  • - 20% gedurende 16 weken indien sprake is van een gedraging of nalaten, bedoeld in artikel 2, onderdeel b;
  • - 20% gedurende 16 weken indien sprake is van een gedraging, bedoeld in artikel 2, onderdeel c;
  • - 10% gedurende 16 weken indien sprake is van een gedraging of nalaten, bedoeld in artikel 2, onderdeel d;
  • - 30% gedurende 16 weken indien sprake is van een gedraging of nalaten, bedoeld in artikel 2 onderdeel d, indien het een opleiding of scholing betreft die baanzekerheid geeft;
  • - een hoogte en duur naar rato van de mate waarin betrokkene zich niet beschikbaar stelt voor werk, bedoeld in artikel 2, onderdeel e.

Bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, derde lid, onderdeel c, van de wachtgeldregeling, bedraagt de hoogte en de duur van de maatregel:

  • - 5% over de te late termijn indien het gestelde tijdstip met niet meer dan 56 kalenderdagen wordt overschreden;
  • - 10% over de te late termijn indien het gestelde tijdstip met niet meer dan 112 kalenderdagen wordt overschreden;
  • - 20% over de te late termijn met een maximum van 52 weken, indien het gestelde tijdstip met meer dan 112 kalenderdagen wordt overschreden.

Bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen, bedoeld in artikel 13, derde lid, onderdeel d, van de wachtgeldregeling, bedraagt de hoogte en duur van de maatregel 10% gedurende 8 weken.

Indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de betrokkene daartoe aanleiding geeft, wordt het percentage, genoemd bij de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4, 5, en 6 gehalveerd.

In afwijking van het eerste lid wordt, indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de betrokkene daartoe aanleiding geeft, het percentage, genoemd in artikel 4, onderdeel a, vastgesteld op 2.

Er wordt geen maatregel opgelegd indien iedere verwijtbaarheid ontbreekt ten aanzien van het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting.

Indien een betrokkene twee of meer verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt en indien het niet nakomen van deze verplichtingen niet voortkomt uit één oorzaak, worden de bij deze verplichtingen behorende maatregelen na toepassing van deze regeling samengevoegd en zoveel als mogelijk gelijktijdig gerealiseerd.

Indien een betrokkene twee of meer verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt en indien het niet nakomen van deze verplichtingen voortkomt uit één oorzaak, wordt één maatregel toegepast overeenkomend met de zwaarste van de bij deze verplichtingen behorende maatregelen na toepassing van deze regeling.

Indien een betrokkene meer dan één verplichting bedoeld in artikel 13, derde lid, onderdeel c, van de wachtgeldregeling niet of niet behoorlijk is nagekomen en tussen de nakoming van deze verplichtingen niet meer dan zeven kalenderdagen zijn gelegen, wordt aan de overtreding van bedoelde verplichtingen één oorzaak ten grondslag gelegd.

Indien als gevolg van de samenvoeging, genoemd in het eerste lid, of de verhoging genoemd in artikel 8, eerste lid, het percentage van de maatregel meer dan 30% bedraagt, wordt het percentage van de maatregel gemaximeerd op 30%. De volledige samenvoeging wordt niettemin gerealiseerd door de duur van de maatregel overeenkomstig te verlengen.

Indien aan een betrokkene schriftelijk is bekendgemaakt dat hem wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wachtgeldregeling met toepassing van de artikelen 4,5, of 6 een maatregel is opgelegd en hij binnen twee jaar na de dagtekening van die bekendmaking opnieuw dezelfde verplichting niet of niet behoorlijk nakomt, wordt het percentage van de maatregel, op grond van genoemde artikelen met de helft daarvan verhoogd.

Bij toepassing van artikel 4, onderdeel a, of artikel 5, onderdeel a, wordt het in het eerste lid bedoelde percentage in afwijking van het eerste lid gesteld op 7.

In afwijking van het eerste lid wordt het recht op wachtgeld blijvend geheel vervallen verklaard indien:

  • - Na schriftelijke bekendmaking dat een maatregel is opgelegd in verband met een gedraging als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, dezelfde maatregel binnen twaalf maanden voor de derde maal wordt opgelegd;
  • - De betrokkene blijft volharden in zijn gedraging, bedoeld in artikel 2, onderdeel d, in situaties waarin de opleiding of scholing baanzekerheid geeft.

Een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag dat een verplichting als bedoeld in deze regeling niet of niet behoorlijk is nagekomen.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als Sanctieregeling arbeidsmarktgedrag als bedoeld in artikel 13, derde lid, van het Rijkswachtgeldbesluit 1959.