1 Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
scheidingsconstructies van
bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks plaatsvinden.
2 De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid
van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het
bouwwerk of de buitenriolering.
3 In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
rottingputten voorkomen.
4 Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
vernauwingen in de
stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop hebben,
alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een voldoende
binnenwerkse middellijn.
Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, meest recente
versie.
5 Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor
de afvoer van afvalwater en faecaliën ter plaatse waar zij de grens
van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste
125 mm.
6 Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van
leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten
doeltreffend zijn.
Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan
het bepaalde in de NEN-
normen die zijn opgenomen in bijlage 7.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 7
Artikel 2.7.6
Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen
Onderdeel van Bouwverordening 2010